Skip to content →

Teek

Nietsvermoedend wilde ik vanochtend onder de douche stappen, toen ik op mijn linker bovenarm een soort korstje zag zitten. Het zat een beetje los dus ik dacht het weg te kunnen vegen. Maar het ging niet weg en toen ik beter keek zag ik wat het werkelijk was: een teek! Mijn verbazing was groot, zoals jullie zullen begrijpen want ik ben een echte stadsjongen. Ik speel niet in hooibergen (hoewel ik dat wel zou willen), ik ravot niet in dennebossen of in weilanden met hoog gras. Niet van dat alles: ik beweeg me voort over asfaltwegen en tussen beton, langs baksteen en staal. Het enige stukje wilde natuur is de schimmel op mijn brood.

Desalniettemin was ik op de hoogte van het feit dat je een teek niet zomaar uit kunt trekken. Sterker nog: ik ben in het gelukkige bezit van een tekenpen, een soort pincet speciaal bedoeld voor het uittrekken van teken. Dat was makkelijk genoeg, er zijn ook geen pootjes blijven zitten geloof ik dus hopelijk blijft de ziekte van Lyme me bespaard. Die wikipedia-pagina over Lyme is trouwens de moeite waard: de bacterie die die ziekte overbrengt is kennelijk pas in 1977 voor het eerst ontdekt.

Dit kleine bloedzuigertje deed me terugdenken aan Indonesië, 1997. Na m’n eindexamen heb ik een half jaar gewerkt en toen ben ik naar Indonesië vertrokken. Daar heb ik rondgereisd, door Java, Bali en Sulawesi. In Sulawesi heb ik veel gewandeld, met de Lonely Planet in de hand. Een keer wilde ik een lange wandeling maken, van ongeveer 30 kilometer. Ik was door eerdere successen nogal overmoedig geworden. Bovendien dacht ik, ‘als ik het niet red, kan ik altijd ergens blijven slapen onderweg’. De enige kaart die ik had was een kaartje in die Lonely Planet, waar die wandeling van 30 kilometer ongeveer 6 centimeter lang was.

Ik begon wat later dan voorgenomen, pas om 11 uur was ik goed en wel onderweg maar ik stapte wel stevig door. Tot een uur of 2 ’s middags kwam ik nog hier en daar huisjes tegen naast het pad, en mensen die me vriendelijk groetten. Ook kwam ik af en toe tegenliggers tegen, die me geruststelden en zeiden dat ik het wel zou moeten redden (ik sprak inmiddels vrij redelijk Indonesisch). Na een uur of vier werd het rustig. Ik was al een paar uur geen huisjes meer tegengekomen, en ook geen andere mensen.

Om vijf uur begon ik me een beetje zorgen te maken. Het pad slingerde maar verder, langs de oever van een rivier, af en toe moest ik m’n best doen om niet van het pad naar beneden te glijden. Ik ging sneller lopen, probeerde uit te maken waar ik was maar het kaartje bood absoluut geen uitsluitsel. Om iedere bocht kon het zijn, de sawa’s waar ik naar op weg was. Om zes uur begon de avond te vallen: in Nederland zakt de zon geleidelijk onder de horizon, in tropische landen is de zon in één keer verdwenen. Om zeven uur was het te donker geworden om nog verder te lopen: ik zag werkelijk geen hand voor ogen meer.

Ik had geen tent bij me en er was ook geen mogelijkheid om op een normale plek te gaan slapen. Het enige wat ik bij me had waren een plastic matje en een klamboe. Dus ik legde het matje op het pad, hing de klamboe aan een overhangende boom en ging liggen.

Zo warm als het overdag was geweest, zo koud werd het ’s avonds. Ik had niet echt warme kleren bij me en lag te bibberen van de kou. Ik streek met mijn hand over mijn been en voelde een bloedzuiger. Ik trok hem van mijn been af (wederom met een draaiende beweging) en gooide hem ver weg, buiten de klamboe. Met een aansteker keek ik of er nog meer bloedzuigers naar binnen waren gekropen. Maar de aansteker werd te heet en knapte uit elkaar.

Op dat moment werd het me een beetje te zwaar te moede. Ik had geen idee wat voor een beesten er rondliepen in dat oerwoud. Ik had iets gehoord over een agressieve wilde geit, die je niet tegen moest komen daar. Verder waren er allerlei vreemde geluiden te horen. Vanwege de kou en het dreigende gevaar van bloedzuigers heb ik nauwelijks een oog dicht gedaan. ’s Avonds in Indonesië is het ’s middags in Nederland. ‘Als mijn vader en moeder eens wisten waar hun zoon op dit moment was, ze zouden helemaal gek worden’, dacht ik. Toch, tegelijkertijd dacht ik stiekem ‘wow, als deze nacht voorbij is, ben ik wel even een ervaring rijker!’

Om zeven uur ’s ochtends werd het zo plotseling licht als het donker was geworden. Ik deed de klamboe omhoog, ontdekte dat daar een klein leger bloedzuigers op mij aan het azen was maar het deed me op dat moment niet zo veel: ik wilde verder! Ik veegde ze weg, deed mijn schoenen aan, controleerde mezelf nog een keer goed (die beestjes kruipen werkelijk overal, ze wurmen zich tussen je kleren en gaan dan op pad, op weg naar een ader), en ging op weg. Na ongeveer twee uur lopen kwam ik bij de sawa’s, daar voelde ik nog een bloedzuiger in mijn nek, die ik achteloos uittrok en weggooide. Een man was daar aan het werk, we groetten elkaar en ik vroeg waar het hoofd van het dorp woonde. Hij wees me de weg en al snel werd ik opgenomen in de warmte van de burgemeestersfamilie, die nauwelijks kon geloven wat ik die nacht had meegemaakt. (Toelichting: als je wandelt in Indonesië is het mogelijk om tegen betaling bij de ‘burgemeester’ onderdak te krijgen. Zelfs dorpen met zes families hebben zo’n dorpshoofd, en ik heb daar de mooiste dingen meegemaakt. Maar dat vertel ik een andere keer.)

Gepubliceerd in de wereld

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.