in korte verhalen

Fictie: Ziekenbezoek

Ik had besloten hem op te zoeken in het ziekenhuis. Ik kocht een bosje bloemen en een fles whisky. Ik goot de whisky over in een pak appelsap, dat ik met plakband goed dichtmaakte. Ik vermoedde dat het ziekenhuispersoneel alcoholconsumptie door patiënten niet erg op prijs zou stellen. Ik had een kamernummer doorgekregen – F8-23, waarbij F waarschijnlijk de vleugel was, 8 de verdieping en 23 het kamernummer. Dat bleek inderdaad het geval.

Ik liep door de lange gang van de achtste verdieping van de F-vleugel en rook de zware, medicinale ziekenhuislucht die me herinnerde aan mijn korte ziekbed, twee jaar geleden. Ik was door de brandweer uit een gracht gevist, onderkoeld en straalbezopen. Ik was een vriend van me aan het zoeken, ik wist zeker dat hij van de brug was afgesprongen. Ik moest hem redden, en pas toen mijn krachten het begonnen te begeven, zwom ik naar een woonboot. Daar trokken twee brandweermannen me aan mijn armen uit het water.

Terwijl ik werd afgevoerd in de ambulance, zochten de duikers van de brandweer door naar de vriend – die, zo ik later begreep, al uren eerder naar huis was gegaan. Op het moment dat vier duikers met grote zaklampen door het troebele water schenen, lag hij lekker in zijn bed.

Na de rit in de ambulance werd ik ontvangen door twee vriendelijke verpleegsters. Tl-licht, mij onbekende medische apparatuur en de vriendelijke verpleegsters en zorgden ervoor dat ik binnen een mum van tijd weer sober was. Wel voelde ik me nog wat licht in het hoofd. Het was inmiddels alweer ochtend, en ik moest mijn werk bellen dat ik ziek was. Ik ging niet vertellen hoe dat precies gekomen was, en dat hoeft wettelijk gezien ook helemaal niet. Dat telefoongesprek ging goed, de dame van personeelszaken vroeg gelukkig niet door. Vlak voordat ik ophing, verloor ik het bewustzijn. Geen betere plek om dat te doen, dan in een ziekenhuis – ik werd wakker op de grond, omringd door drie verpleegsters. Na een dag mocht ik weer naar huis, en m’n baas heeft er nooit van geweten.

Ik was inmiddels aanbeland bij kamer 23. Ik keek om de hoek – daar lag Johan. Hij leek in slaap, dus ik wist even niet wat te doen. Moest ik hem wakker maken? Mocht dat wel, in zijn toestand? Ik wilde me net omdraaien om een verpleger om raad te gaan vragen, toen ik achter me iemand horde grommen. Opgelucht liep ik op hem af.

‘Johan! Je bent wakker.’

‘Ik was een beetje aan het wegdutten. Goed dat je er bent.’

Hij zag er moe uit. Ze hadden een long weggehaald, vertelde hij, een zware operatie. Hij lag hier al een week, en er waren drie mensen op bezoek geweest: zijn dochter, een buurman en een verre neef. En nu ik dan, de vierde. Ik legde uit dat ik in Parijs zat, dat ik onmogelijk weg kon daar, dat ik was gekomen zodra ik kon. Hij wuifde mijn excuses weg.

‘Je hoeft je toch niet te verontschuldigen. Ik ben blij dat je er bent. En je hebt nog iets meegenomen, zie ik?’

Ik gaf hem de bos bloemen en het pak appelsap.

‘Bloemen en appelsap. Dank je wel. Van bloemen wordt een mens vrolijk.’

‘Van deze appelsap ook,’ zei ik.

Hij lachte: ‘Mijn favoriet? Maak open!’

Ik pulkte het plakband van het pak appelsap, en net toen ik wat wilde inschenken in de witte plastic bekertjes, kwam er een verpleger de kamer binnen.

‘Meneer De Vries, u heeft bezoek, wat leuk! Hoe gaat het nu?’

Johan gromde wat, de verpleger wierp een samenzweerderige blik naar me, en liep de kamer weer uit. Ik schonk alsnog in en we toastten op de goede afloop.

‘Weet je,’ zei Johan, ‘we zijn eigenlijk te jong voor whisky. Het brandt door je keelgat, je wordt er op een vreemde manier dronken van. Maar toch – wat een goddelijke drank.’

Ik knikte. Je had een geweldig uitzicht vanaf de achtste verdieping. De zon zakte weg achter de stad, vliegtuigstrepen lichtten hels oranje op, kriskras over de donkerblauwe hemel. Een vlucht spreeuwen zwierde heen en weer boven het park, om uiteindelijk neer te zijgen in de bomen. De eerste sterren verschenen, als verkenners, wetend dat ze snel versterking zouden krijgen van miljoenen collega’s.

Johan zuchtte. ‘Ik weet dat ik geen allemansvriend ben. En nu ik hier zo zit, met jou, een beetje naar buiten te staren, nu mis ik het ook niet. Er lag hier een oudere man uit India, die continu bezoek had: familie, vrienden, verre familie, vage vrienden. Tientallen mensen tegelijk, achter elkaar. Hij werd er zelf ongelukkig van. Ik ook trouwens, ik heb gevraagd of ik op een andere kamer mocht gaan liggen.’

’Sommige mensen hebben weinig anderen nodig,’ zei ik. ‘Die mensen zijn de kluizenaars van nu.’

Hij knikte en we keken naar buiten. Niet veel later stond ik op, nam afscheid en liep weer terug door de gangen van vleugel F.

Eenmaal buiten zoog ik me vol met de frisse, herfstige lucht van kou en bladeren. Ik liep naar huis, en kwam onderweg langs de gracht waar ik toen, twee jaar geleden, ingesprongen was. Deze keer had ik geen enkele behoefte om het ijskoude water in te springen. De volgende keer dat ik weer in een ziekenhuis zou liggen, dan liever om een goede reden. En dan op de achtste etage, met een goede fles whisky. En liefst alleen.

Dit verhaal is op 9 oktober geschreven, tijdens de eerste sessie van Shut Up & Write Amsterdam, in café De Jaren.

 

Geef een reactie

Reactie