in amsterdam, zomer

Straf

Het was zomer, Marianne en ik zaten te lunchen voor de deur van haar appartement – aan de Herengracht, voor minder doen wij het niet – en van de zon te genieten. Veel mensen liepen langs en groetten ons, veel toeristen, en ook een sjofel uitziende man van tegen de veertig.

“Goedemiddag, wat zit u hier gezellig. Heb u voor mij wat kleingeld?”

Dat hadden wij niet, een goed belegde boterham hadden we wel.

“Graag, dankuwel”, zei de man.

Marianne ging naar binnen om de boterham klaar te maken, de man en mij samen achterlatend.

“Tja, ik ben maar een beetje aan het bedelen. Ik heb vannacht buiten moeten slapen, naast de IJ-tunnel.”

“Kun je niet ergens binnen slapen?” vroeg ik.

“In de opvang? Heb ik geen geld voor. Me uitkering is stopgezet.”

“O,” zei ik. “Kan dat zomaar?”

“Nou kijk,” zei de man, “het zit zo. Ik was een maandje geleden bij de daklozenopvang. En toen was daar een kerel, die zei wat over m’n moeder. Je weet wel. Nou, je kan bij mij veel maken, maar je moet niets zeggen over m’n moeder. Dan heb je bonje. Dus toen heb ik hem gevloerd.”

Hij maakte een boksbeweging in de lucht. Dat zag er overtuigend uit, zeker in combinatie met zijn reuzenknuisten. “Kaak gebroken. Eigenlijk moest ik de lik in, maar zo’n rechter weet ook dat hij me daar niet mee straft. Doe mij maar een paar weken een dak boven m’n hoofd en een beetje rust, geen probleem.”

Ik kon het me moeilijk voorstellen, dat iemand het fijn zou vinden in de gevangenis.

“De bak in, da’s een soort beloning. Daar wil ik best iemand me vuist in ze gezicht duwen, no problem. Dus die rechter denkt ook, dat moeten we niet hebben, anders krijgen we dit wekelijks. Dus toen heeft ‘ie als straf m’n uitkering stopgezet. Hij denkt dat hij me daarmee wel kan pakken.”

“En nu ben je dus aan het bedelen?”

“Ja, ik moet wel. Maar ik kan je vertellen, het verdient best redelijk, hoor. Ik heb niets te klagen. De reden dat ik buiten slaap is eigenlijk dat ik dan meer geld overhou voor een biertje op z’n tijd, begrijp je.”

Op dat moment kwam Marianne weer terug met de boterham. De man nam een grote hap, groette ons en struinde weg.

Ik moest denken aan die arme rechter, die machteloos stond tegenover zo veel nonchalance. Sommige mensen zijn niet te straffen.

Geef een reactie

Reactie