Geen zin meer vandaag

‘Pfff, ik heb echt geen zin meer vandaag.’

Ik kon me er iets bij voorstellen. Hij werkt bij de catering bij mij op kantoor. Dat betekent broodjes verkopen, koffie-automaten bijvullen en vergaderzalen uitruimen.

‘Hoe lang moet je nog?’ vroeg ik, in de hoop dat het antwoord mee zou vallen en ik hem gerust kon stellen.

‘Nog tot negen uur. Ik moet biertjes tappen bij een borrel.’

Het was nu vier uur. Ik kon hem helaas niet het goede nieuws meedelen, dat hij zelf ook wel had geweten. Ik kon hem slechts sterkte wensen voor de komende vijf uur.

Jezelf als merk

Van iemand waar ik mee samenwerkte kreeg ik, na de opdracht, het boekje ‘Het merk JIJ’ (link). Het is een boekje waarin wordt uitgelegd hoe je je zo kunt vormen, dat je het beste verkoopt in ‘de markt’. En ‘de markt’ kan van alles zijn: jij als zelfstandig ondernemer richting klanten, maar ook jij als medewerker van een multinational, binnen die multinational. Of jij als partner richting je partner.

Daar moest ik aan denken toen ik las dat een invloedrijke psychoanalyticus, Erich Fromm, vlak na de oorlog al de trend signaleerde van mensen om zichzelf te verkopen als merk. Hij zag deze levenshouding als een niet-productieve manier van leven. Uit ‘Man for himself’ (1947): “Het concept ‘marktwaarde’, waarbij de nadruk ligt op ruilwaarde en niet op gebruikswaarde, heeft ertoe geleid dat men hetzelfde concept toepast op mensen toegepast, en in het bijzonder op zichzelf’.

Erich Fromm ziet het niet als probleem dat mensen bepaalde vaardigheden en kennis opdoen, die in trek is bij anderen. Wat hij bedoelt met de niet-productieve marketing-oriëntatie is dat mensen zich in tweeën splijten: de timmerman die de deur timmert, en de verkoper van de timmerman die de timmerman aan de man probeert te brengen. In de woorden van Fromm: “(…) doordat succes voornamelijk afhangt van hoe goed je je persoonlijkheid kunt verkopen, ziet men zichzelf als een grondstof, of beter, als tegelijkertijd de grondstof en de verkoper van die grondstof”. Om te vervolgen: “Iemand is niet meer bezig met leven en gelukkig zijn, maar met zo verkoopbaar mogelijk te worden”. Daarnaast levert iemand zich op die manier uit aan de grillen van de markt, en valt ten prooi aan grote onzekerheden, die gevoed worden als zijn ‘marktwaarde’ niet hoog genoeg blijkt te zijn.

Ik heb het boekje maar bij het oud papier gedaan.

Populistische politiek en de angst voor de dood

Zeker een aanrader: de documentaire ‘Flight from Death: The Quest for Immortality’ (imdb). Deze documentaire gaat over onze angst om dood te gaan, een angst die ons vooral onbewust bezighoudt. En over hoe we omgaan met deze angst, en allerlei oplossingen bedenken die ervoor moeten zorgen dat we na onze dood op de een of andere manier door blijven leven.

Een van de hypotheses die psychologen in de documentaire testen en bewijzen, is dat we de dood willen omzeilen door middel van cultuur. ‘Cultuur’ is een enorm project waar we met z’n allen aan werken. En dit project zal doorgaan, ook als wij er niet meer zijn. Welke vorm ‘cultuur’ aanneemt is niet eens zo heel relevant. ‘De islam’ kan zo’n cultuur zijn, maar ook ‘de wetenschap’, ‘het kapitalisme’ of ‘de VS’. Zolang er iets groters is waar we in kunnen geloven, kunnen wij als individu sterven, maar de grotere idee blijft bestaan.

Omdat ons voortbestaan bijna letterlijk van het voortbestaan van onze cultuur of ideologie afhangt, zijn we bereid om erg ver te gaan om deze te verdedigen. Het voorbeeld dat in de documentaire gebruikt werd, was de aanval op de Twin Towers op 11 september 2001. De terroristen kiezen een symbool van de Amerikaanse cultuur uit om aan te vallen (Twin Towers, Pentagon). De Amerikanen worden op zeer onomwonden wijze geconfronteerd met hun sterfelijkheid. De onmiddellijke reactie is agressie: tegen de Taliban, maar ook tegen mannen met tulbanden. En naast agressie is de reactie ook meteen nationalistisch van aard: ‘Niemand krijgt Amerika klein’. Iedereen stelt elkaar gerust: onze cultuur is en blijft de beste.

De psychologen deden experimenten, waarbij ze proefpersonen eerst op subtiele wijze met hun sterfelijkheid confronteerden. Daarna werd gemeten hoe de proefpersonen dachten over hun eigen cultuur. Wat bleek? Als proefpersonen eerst met hun eigen sterfelijkheid werden geconfronteerd, klampten ze zich daarna sterker vast aan hun eigen culturele symbolen.

Maar in een samenleving die zo door en door seculier is als de onze, hoe bestrijden wij dan onze doodsangst? Populistische politici weten hier een makkelijk antwoord op: door ons vast te klampen aan onze cultuurl Ooze verdraagzaamheid, onze veiligheid, onze Dik Trom en andere rood-gebloste jongens. Onze gulden, die de PVV zo graag weer terug zou zien, ook al zou het ons tientallen miljarden euro’s kosten. Onze Nederlands-heid: weg met Europa! Daarom zijn populisten vaak zo tegen globalisering: het is een directe bedreiging van onze eigen cultuur.

En daarom is de islam ook zo bedreigend voor veel mensen. Niet omdat er een paar terroristen tussen zitten (hoe groot is de kans dat die een aanslag plegen in Almere?) Niet omdat islamitische jongeren overlast veroorzaken (die jongens zijn vaak nog nauwelijks islamitisch). De islam is zo bedreigend omdat moslims een betere manier hebben om de dood te overwinnen.

Natuurlijk waren we hier in Nederland in eerste instantie blij met onze vooruitgang. Wij, nuchtere Hollanders, hielden nooit zo van mystieke praatjes, en in de jaren vijftig en zestig zwoeren duizenden mensen het christendom af. Wij hadden Darwin en zijn evolutietheorie. Als je homo was, prima! Afgezien van wat rare teksten van duizenden jaren geleden, was er geen goede reden om dat af te keuren. Als je dood wilde als je heel erg ziek was, moest dat kunnen. Want wederom was er geen goede reden voor om dat af te keuren.

Maar het gevolg van het afzweren van geloof en zingeving, is dat het leven wel erg nutteloos wordt. We moeten namelijk ergens in geloven om zin aan ons leven te geven. Dus gaan we maar heel erg in het krijgen van kinderen geloven. Of in het verdienen van geld. Of in het schrijven van een boek.

‘Religie is de opium voor het volk.’ Religie was volgens Marx een kwalijke zaak. Maar wat nou als het volk opium wil? Het is niet voor niets een verslavend middel. Zonder opium is het leven maar saai en grijs. En zonder religie wordt het leven wel erg betekenisloos.

Moslims hebben die opium wél. En wij niet. Ondertussen wordt onze cultuur steeds meer Europees, met vooral veel Oost-Europeanen die deze kant op komen om te werken. Geen wonder dus dat Wilders zijn pijlen richt op moslims en Oost-Europeanen.

Populistische politici en hun kiezers zijn bang. Bang voor verlies van cultuur. Want als onze cultuur verdwijnt, dan verdwijnt het Project Nederland. En dan is er over 200 jaar niets meer dat aan ons herinnert.

De magie van zweven

Ik rende door het hoge gras naar het modelvliegtuig. Gelukkig was het zacht neergekomen. Ik pakte het op en liep terug naar mijn vader.

‘Nu mag jij,’ zei hij en gaf me de afstandsbediening, terwijl hij het vliegtuig van me aannam.

‘Hoe moest het ook alweer?’ vroeg ik, terwijl ik vragend keek naar alle knopjes en pookjes.

Hij legde me uit waar ze allemaal voor dienden, en gooide het vliegtuig tegen de wind in.

Daar zweefde het, en zo rustig en beheerst mogelijk probeerde ik het te besturen.

‘Dat gaat goed!’ zei mijn vader, duidelijk tevreden over zijn snelle leerling.

Statig vloog het vliegtuig naar voren. Af en toe dreigde het te veel naar links of rechts af te buigen, maar een snel stootje tegen een van de pookjes zorgde ervoor dat het alsnog goed vloog. Langzaam maar zeker daalde het neer.

‘Pas op, een boom,’ zei hij. ‘Iets meer naar links. Laat nu maar landen.’

Hoewel ik veertig meter verderop stond, zorgde ik dat het vliegtuig langzaam landde. Ik gaf de afstandsbediening aan m’n vader en rende naar het vliegtuig, de zomerzon in mijn gezicht, waardoor ik mijn ogen samen moest knijpen. Nu mocht mijn vader weer.

Onverschillig

‘Het was weer zo’n dag,’ verzuchtte hij.

Ik kende het gevoel.

‘Zo’n dag dat er eigenlijk niets anders opzit, dan met wildvreemden in een kroeg te gaan ouwehoeren over je ex. Haar zojuist gezien, voor het eerst in een jaar. Een jaar! En ik mis haar nog elke dag. Zij mij niet.’

Hij zuchtte.

‘Ze vond het wel leuk om me te zien hoor. Of dat zei ze tenminste. Maar onverschillig was ze wel. Ja, onverschillig. Erg is dat eigenlijk.’

Hij zuchtte nog een keer diep.

‘Dan denk je nog elke dag aan haar. En zij? Zij is onverschillig.’

Hij nam nog een slok.

Problemen bij een woningcorporatie

Woningcorporatie Vestia is in de problemen. En, zo lees ik in de krant en zie ik op het nieuws, dat komt omdat Vestia speculeerde. Met ingewikkelde financiële instrumenten die ‘derivaten’ heten.

Sinds de kredietcrisis zijn alle ‘derivaten’ ineens verdacht. Ook al zijn er best derivaten waarmee je risico juist verkleint in plaats van vergroot. Maar dat vergeten mensen even. Derivaten = ingewikkeld en ingewikkeld = gevaarlijk. Punt.

Nu zit ik, om het maar even populair te zeggen, in de ‘derivatenbusiness’. Ik moet er beroepshalve veel vanaf weten. Het grote probleem van de berichtgeving over Vestia op dit moment is dat niemand weet hoe het precies zit. Op basis van de jaarrekening uit 2010 lijkt het alsof ze inderdaad bepaalde risicovolle derivaten hebben afgesloten. Maar het voornaamste en meesta acute probleem lijkt toch het onderpand te zijn, dat ze moeten storten. Ik zal het proberen uit te leggen.

Om wat voor derivaten gaat het hier?

Vestia bouwt huizen. Om te kunnen bouwen, sluit Vestia langlopende leningen af. Deze leningen hebben een looptijd van soms wel veertig jaar, en vaak moet Vestia variabele rente betalen over deze leningen.

Variabele rente wil zeggen dat het rentepercentage dat Vestia moet betalen ieder jaar opnieuw wordt bepaald, op basis van de marktrente. Als het, zoals nu, slecht gaat met de economie, is de rente vaak laag. Als de economie weer aantrekt, wordt de rente hoger en moet je dus meer rente betalen over je leningen.

Dat is een risico; je betaalt nu lage rente, maar als de rente stijgt, moet je over een paar jaar veel rente betalen. Daar had Vestia geen zin in. Daarom sloten ze een rentederivaat af. Dat is een contract waarmee je afspreekt met de tegenpartij (meestal banken) dat je variabele rente gaat ontvangen, en vaste rente zult betalen. Met die variabele rente die je ontvangt, kun je de variabele rente op je lening betalen. En de vaste rente die je betaalt, blijft altijd hetzelfde percentage.

Aangezien Vestia de gebouwde huizen gaat verhuren, en daar dus vaste huurinkomsten over ontvangt tot in lengte van dagen, is er niks aan de hand. Vaste huurinkomsten, vaste rente-uitgaven, geen vuiltje aan de lucht. Toch?

Hoe kon het dan toch zo fout gaan?

Dat komt door een clausule in dat derivatencontract. Die clausule, in jargon een ‘CSA’ of ‘Credit Support Annex’ geheten, kan aardig roet in het eten gooien. Want hoewel het lijkt of er richting de toekomst weinig spannends gebeurt (vaste inkomsten, vaste uitgaven), kan een derivaat onverhoeds toch een forse waarde ontwikkelen (in de appendix onderaan staat uitgelegd hoe dat kan). En als je als bedrijf zo’n CSA hebt afgesloten met een bank, beloof je om die waarde bij te storten op een speciale rekening waar je zelf niet meer bij kunt (als onderpand). Zodat, als je onverhoopt failliet mocht gaan, de bank alsnog de waarde van het derivaat ontvangen – de curator heeft namelijk niks te zeggen over die speciale bankrekening.

Zo’n CSA werkt overigens twee kanten op: als de waardeontwikkeling van het derivaat in het voordeel van Vestia is, dan moet de bank er een saldo op storten. Als de bank dan failliet gaat (tegenwoordig ook niet ondenkbeeldig), dan mag Vestia het gestorte geld houden.

Kortom, de problemen van Vestia hadden niet te maken met het derivaat of met de geldstromen die veroorzaakt werden door dat derivaat. De problemen werden veroorzaakt doordat het derivaat nu zo’n enorme waarde had gekregen (2,5 miljard euro in het nadeel van Vestia), dat Vestia niet genoeg geld bijeen kon brengen om op die speciale rekening te storten. En die enorme waarde komt weer voornamelijk omdat de leningen en dus ook de derivaten zo’n lange looptijd hebben.

Hoe doen andere bedrijven dat dan?

Veel andere bedrijven hebben ook van die derivaten. Alleen die hebben niet zo’n CSA afgesloten, en hoeven dus niet bij te storten. Dan is er dus niets aan de hand, wat de bedrijven krijgen inkomsten binnen en betalen braaf hun vaste rente. Dat de derivaten nu zo’n enorme waarde hebben, maakt ze niks uit.

Is het afsluiten van zo’n CSA dan zo onverstandig? Op zich niet, want zoals eerder gezegd, kan dat ook in het voordeel van Vestia werken. En als zo’n bank dan failliet gaat, zegt iedereen: ‘Wat verstandig dat Vestia een CSA had afgesloten’, en ‘Wat dom van die andere bedrijven dat ze geen CSA hadden afgesloten, iedereen weet toch dat banken om kunnen vallen?’

Alternatieven

Het afsluiten van bepaalde risicovolle derivaten (genaamd ‘geschreven opties’) hadden ze waarschijnlijk beter niet kunnen doen.

Vestia had wellicht ook beter kunnen monitoren hoeveel geld er in kas was, en eerder anticiperen op het feit dat ze zo grandioos veel moesten bijstorten. Maar 2,5 miljard euro, dat heeft niemand zo maar even liggen.

Een ander alternatief is het afsluiten van leningen met een vaste rente. Dan heb je niet zo’n rentederivaat nodig om je rente vast te zetten, en hoef je dus ook geen onderpand bij te storten.

Een derde alternatief is om rentederivaten met een kortere looptijd af te sluiten. Dan zet je de rente vast voor bijvoorbeeld tien jaar, en sluit je na die tien jaar weer nieuwe rentederivaten af. Het voordeel is dat rentederivaten met een kortere looptijd niet zo’n ernome waarde kunnen ontwikkelen. Het nadeel is dat je geen idee hebt welke rente je over tien jaar zult moeten betalen.

Een vierde mogelijkheid is om niet z’n CSA af te sluiten. Maar dat zou betekenen dat je wel een (aanzienlijk) hogere rente moet betalen. Zo’n CSA fungeert namelijk als verzekering tegen faillisement, en als die ontbreekt, moet je dus meer gaat betalen.

Conclusie

Hoewel het er dus op lijkt dat Vestia niet vies was van risicovolle instrumenten, is het voornaamste probleem dat hun derivaten een zeer negatieve marktwaarde ontwikkelden door de huidige lage rente. Die negatieve waarde moest Vestia van de banken bijstorten, en daar hadden ze niet meteen de cash voor.

Appendix: hoe kan een rentederivaat zo’n grote waarde ontwikkelen?

Bij een rentederivaat spreek je af om vaste rente te betalen, en ontvang je variabele rente om de variabele rente op je lening mee te betalen. Netto betaal je dus alleen de afgesproken vaste rente. Stel dat je dit derivaat vier jaar geleden hebt afgesloten. Toen heeft de bank het percentage bepaald dat je moet betalen, zeg vier procent. Je hebt het contract afgesloten voor veertig jaar.

Stel dat je datzelfde contract nu zou afsluiten, zou je minder vaste rente hoeven te betalen, omdat de huidige rentestand zo laag is. Dus mocht je je rentederivaat willen verkopen (niet dat dat kan, maar dat maakt voor de waardering van het contract niet uit), dan zou dus geen hond het willen hebben. Tenzij je zwaar bijbetaalt (in het geval van Vestia dus 2,5 miljard euro). Vooral bij rentederivaten met een lange looptijd kan de waarde van zo’n contract heel erg variëren.

Maar maar maar maar… Vestia wil het rentederivaat helemaal niet verkopen! Maar goed, dat maakt voor de waardering dus niet uit. En als je een CSA hebt afgesloten, zul je moeten bijstorten. Op zich ook niet zo erg, want je krijgt er een mooie rente over. Maar je moet het wel hebben liggen. En dat Vestia geen 2,5 miljard euro op de plank heeft liggen, dat is niet zo raar.

Een leuke dag pech

Soms heb je pech en word je toch vrolijk.

Ik reed op mijn motor door de Schipholtunnel, iets te hard vond ikzelf dus ik ging naar de rechterbaan om wat langzamer te rijden. Op dat moment haalde een auto me in en ging voor me rijden. De bestuurder van de auto was heftig aan het zwaaien. ‘Heb ik iets fout gedaan?’ vroeg ik me af, ‘vond hij dat ik op de verkeerde manier voor hem ben ingevoegd?’ Ik wist het niet en besloot me niet zo veel van de man aan te trekken.

Tot ongeveer vijf seconden later.

Ik was net de Schipholtunnel uitgereden, toen mijn motor vreemd begon te doen. ‘Zou hij me ergens voor hebben willen waarschuwen?’ dacht ik. Het lastige was dat er een tweebaans uitvoegstrook rechts van me was, waar ik niets te zoeken had. Maar pas rechts van die uitvoegstrook was een vluchtstrook. Door het zwaaien van de man en het sputteren van mijn motor, besloot ik toch naar rechts uit te wijken en de vluchtstrook te pakken. Net op tijd, want toen ik op de vluchtstrook stond, was de motor met geen stok meer vooruit te krijgen.

Even de pechdienst bellen, dacht ik. O nee, dacht ik, mijn telefoon is leeg. O jee, dacht ik, dat wordt een lastig verhaal.

Ik probeerde de batterij in mijn telefoon nieuw leven in te blazen door ‘m op te warmen in mijn handen. Helaas: dat werkte niet. Conclusie: ik móest iemand met een telefoon vinden.

Dus ik liet mijn motor achter en klom over de vangrail. Ik stond vlak bij Schiphol, en liep naar de uitgang van een parkeerplaats. De eerste auto die ik gebaarde, stopte. Een in het blauw geklede stewardess draaide haar raampje open.

Ik legde de situatie uit en mocht haar telefoon lenen. Dat klinkt kort maar in totaal duurde het ongeveer een kwartier voordat ik iemand van de juiste pechdienst aan de lijn had. Toen alles geregeld was, zei ze: ‘Als je straks nog een telefoon nodig hebt, moet je maar weer hier vragen, want dit is de parkeerplaats voor de stewards en stewardessen, en die zijn meestal wel hulpvaardig’. Of dat zo is, weet ik niet, maar voor haar gold dat zeker wel.

Nog een kwartier later was de pechdienst er en werd de motor naar de garage vervoerd.

Dankjewel, automobilist voor het zwaaien en dankjewel, stewardess, voor het lenen van je telefoon! En natuurlijk dankjewel motor, dat je besloot om pas ná de Schipholtunnel kapot te gaan!

Fictie: Brief aan een bedrijf

Geachte heer/mevrouw,

Dank voor uw schrijven van 20 januari 2012, waarin u aankondigt gas en licht af te zullen sluiten als ik niet snel uw rekeningen betaal. Ik schrijf u deze brief, omdat ik terdege besef dat gas en elektriciteit belangrijke zaken zijn, waar niet licht over gedacht moet worden.

Toegegeven, de mensheid heeft het millenia lang zonder gedaan. En ook tijdens de oorlogsjaren waren gas en elektriciteit schaars. Maar inmiddels zijn wij er zo aan gewend (en ook aan televisie via de kabel, maar daar handelt u niet in), dat we moeilijk zonder kunnen. Ook ik.

Uiteraard zou ik eventueel op mijn kampeerstelletje mijn avondmaaltijd kunnen bereiden. Maar er zijn drie redenen waarom deze oplossing niet optimaal is. Ten eerste stuit dit op bezwaren van de lokale brandweer. Ten tweede heb ik een baan, en weet ik de efficiëntie van gas uit een leiding te waarderen. En ten derde heb ik zojuist voor het luttele bedrag van tien euro een gasfornuis aangeschaft via Marktplaats.nl. Dit fornuis zou ik graag langer dan een week gebruiken.

Natuurlijk heb ik kaarsen. Daar zou ik eventueel mijn huis mee kunnen verlichten. Maar de stofzuiger bijvoorbeeld, die werkt niet op kaarsen, En om nou weer ouderwets te gaan bezemen, neen, dat zie ik niet zitten.

Vandaar deze brief. Het geld is namelijk op. Over een paar weken krijg ik weer mijn salaris gestort. Ik beloof u dat ik dat geld deze keer niet aan dure koffie, drank en muziekinstrumenten uit zal geven. Nee! Zodra het binnen is, maak ik het over via internetbankieren. Dat zweer ik, op het graf van Poekie.

Ik hoop dat u mij gelooft, en dat u nog enkele weken wacht met het dichtdraaien van gasleiding en elektriciteitskabel.

Ik wens u een plezierige dag, veel voorspoed en geluk in u leven, en alle gezondheid voor u en de uwen,

Met vriendelijke groet,

David

Vroeger

‘Vroeger,’ zei hij, ‘maakten ze apparaten die gewoon eeuwig meegingen. Toen, in de jaren tachtig, begonnen ze expres kleine mankementen in te bouwen, zodat het ding na een paar jaar – liefst net na de garantietermijn – kapot zou gaan.’

Hij zuchtte.

‘Maar nu is het nog veel erger. De producenten hoeven helemaal geen mankementen meer in te bouwen. Mensen willen nu zelf om de paar jaar een nieuwe telefoon, een nieuwe tv, een nieuwe computer. Om de oren geslagen door de commercie, werken mensen zich het apenzuur om zich de nieuwe iPad te kunnen veroorloven.’

Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘De mensen zijn allemaal gek geworden.’

Onverstoorbaar

‘Jij was vastbesloten om je nergens door van je stuk te laten brengen. Daar waren veel mensen om je heen het wel over eens.’

Hij keek Vincent eens goed aan, terwijl hij dit zei.

‘Maar dat kan een mens niet eeuwig volhouden. Dat kon jij ook niet eeuwig volhouden. Eens moest er iets gebeuren waardoor je dat onverstoorbare niet langer kon volhouden. En dat is nu gebeurd.’