23 juli 1986

Volgens de aantekeningen van mijn vader zei ik die dag: “Weet je wat het handige is van kind-zijn? Een heleboel dingen kun je aan een kind toch niet uitleggen, en dan kan je [het kind] het ook niet gaan geloven.”

Fictie: Rood licht

‘Gerrit! Kun je even komen?’

Gerrit stond op en liep naar het kantoor van Herman, zijn baas. Tijdens het lopen stopte hij zijn overhemd terug in zijn broek. Dat lukte aan de voorkant, aan de achterkant kon hij er niet goed bij.

‘Gerrit. Ik snap er niets van. Ik zit hier naar deze facturen te kijken, en naar het administratiesysteem. En iets lijkt er niet te kloppen. Het telt niet op.’

‘O,’ zei Gerrit. Hij liep om het bureau van Herman heen, om naar Herman zijn computerscherm te kunnen kijken.

‘Hier, een voorbeeld,’ Herman wees met een afgekloven balpen op een bedrag op het scherm, ‘dit is het totaal aan bestellingen van 24 oktober. Daar heb ik hier de orderbonnen en de facturen van.’

Hij sloeg hard op een map, Gerrit schrok ervan. Die map kende Gerrit maar al te goed. Dat was de map waar hij altijd alle orderbonnen en facturen in deed.

Herman vertelde dat hij alle bedragen op de facturen bij elkaar op had geteld. En dat hij dat had vergeleken met het bedrag dat er in de administratie stond. En dat hij dan niet op het totaal kwam. En dat hij toen naar de orderbonnen had gekeken. En… En… En…

De blik van Gerrit dreef af naar buiten, naar de grijsgrauwe lucht die als een chronische depressie boven het kantoorpark hing. De stem van Herman hoorde hij nog wel, maar hij luisterde niet meer. Hij wou dat hij de stem kon doen ophouden, zoals je zou willen dat de wasmachine van de bovenburen zou ophouden. Maar het dreinde door. Was het centrifugeren al begonnen?

 *

 Ongeveer een half jaar eerder had Gerrit een methode ontdekt. Of liever: had de accountant een methode ontdekt.

‘Gerrit,’ had de accountant gezegd, ‘hier word ik niet zo vrolijk van. Want stel dat jij fraude pleegt? Stel dat jij bijvoorbeeld orderbonnen uitdraait, en de betaling op jouw rekening laat bijschrijven. Is er dan iemand die dat controleert?’

Nee, dacht Gerrit.

‘Ja,’ zei Gerrit, ‘Herman controleert wekelijks of alle betalingen kloppen.’

‘Hm,’ zei de accountant. Gerrit had er daarna niets meer van gehoord.

Uit nieuwsgierigheid had hij geprobeerd of het inderdaad kon. Eerst had hij honderd euro te veel laten overboeken naar de rekening van een klant. Als dat werd ontdekt, kon hij altijd nog zeggen dat het een foutje was.

Het was niemand opgevallen. Twee weken later nog steeds niet. Twee maanden later nog steeds niet. En toen hij erover na ging denken, was er inderdaad geen manier waarop iemand, behalve hijzelf, er ooit achter kon komen.

 *

De eerste keer durfde hij het pas ’s avonds te doen, nadat iedereen naar huis was. Herman had tot laat in zijn kantoortje gezeten, en was verbaasd om Gerrit nog druk aan het werk te zien.

‘Kan dat niet morgen?’ had Herman gevraagd. Gerrit had iets gemompeld over liever vandaag afmaken, morgen veel andere dingen. Herman had zijn schouders opgehaald en was de lift in gestapt.

Normaal ging hij altijd als een van de eersten naar huis. De geluiden in het lege kantoor waren nieuw voor hem. De tl-verlichting, kalm zoemend boven zijn hoofd. De koffieautomaat, zichzelf pruttelend aan het reinigen. Een vrachtwagen, ergens ver weg aan het toeteren.

Hij opende het factuurprogramma, en maakte een nieuwe factuur aan. Trillend pakte hij zijn agenda uit zijn tas, en tikte het rekeningnummer over dat daar stond. Hij was er speciaal voor naar de Kamer van Koophandel gegaan, om een bedrijf op te richten met een plausibele naam. Hij printte de factuur en de orderbon uit. Twee keer: voor in de map en voor naar de klant.

Stom, dacht hij, er gaat natuurlijk helemaal geen factuur naar de klant. Zonde van het papier. Hij grinnikte in zichzelf: hij was duizenden euro’s naar zichzelf aan het overmaken, en hij maakte zich druk om twee A4’tjes.

De factuur en de bon voor de klant gingen bij het oud papier. De andere factuur en bon deed hij in de map. Hij klikte de order door. Het ging eigenlijk nog makkelijker dan hij had gedacht. Hij sloot zijn pc af, pakte zijn spullen bij elkaar en nam de lift naar beneden.

Het was een heldere lentedag. Hij stapte naar buiten. Een groter contrast met de bedompte kantoorlucht binnen was niet mogelijk. Hij ademde diep in, en met zijn longen vulde ook zijn hoofd zich met een heerlijk soort vrijheid.

Zo voelde het dus, om een fraudeur te zijn. Fraudeur. Hij zei het woord een paar keer hardop. Het klonk wel mooi. Beter dan ‘burgerman’. Gerrit, de fraudeur. Gerrit, per vandaag officieel burgerman-af. Per vandaag was hij lid van dat illustere gezelschap dat dagelijks de kranten vulde. Silvio Berlusconi. Bernard Madoff. Lance Armstrong. Gerrit van de Gelder.

Van tevoren had hij gedacht dat hij zich schuldig zou voelen. Maar hij liep opgewekt naar huis, lichter dan ooit. Alsof niemand hem meer iets kon maken. Of Herman wel tevreden met hem was, kon hem ineens een stuk minder schelen. Of zijn collega’s hem wel mochten, kon hem ineens een stuk minder schelen. Of zijn vrienden hem wel een geschikte vent vonden, kon hem ineens een stuk minder schelen.

Het voetgangerslicht stond op rood. Er kwam niets aan. Dus hij liep gewoon door. Het kon hem niets meer schelen.

Dit verhaal is op23 oktober geschreven, tijdens de tweede sessie van Shut Up & Write Amsterdam, in café De Jaren.

Handen wassen bij de BBC

Ik hou van news.bbc.co.uk. Deze met Brits belastinggeld gefinancierde website levert kwaliteitsnieuws, en een internationale invalshoek die in veel Nederlandse media ontbreekt. Al surfend op de BBC News-site kom ik ook geregeld terecht op BBC News Magazine, een subonderdeel van die website. Omdat er vaak interessante analyses op staan.

Maar dan begint je op een gegeven moment iets op te vallen. Zo ongeveer bij het zesde artikel over handen wassen. Dan begin je te vermoeden dat er iemand bij BBC News Magazine zit met een missie. En die missie is om de Brit aan het handen wassen te krijgen. Uiteraard zit deze redacteur niet alleen bij het BBC News Magazine, maar werkt hij ook weleens daarbuiten. Het gevolg is: de BBC zet zich op alle fronten in voor het handen wassen.

Ik neem je niet in de maling, en om dat te bewijzen zal ik even alles wat er is verschenen over handen wassen bij de BBC op een rijtje zetten:

14 October 2009: Shame ‘boosts hand-washing rate’

1 January 2010: The clean hands mission

14 October 2011: Now wash your hands – and your mobile

15 October 2012: Why are the British so bad at washing their hands?

3 May 2012: Hand hygiene campaign ‘cut superbug infections’

28 May 2012: Gardeners told ‘wash off compost’

En een instructiefilmpje voor het wassen van handen voor het bereiden van voedsel;

Nog een instructiefilmpje, ditmaal gericht op kinderen;

En zelfs een online handenwasspelletje (wat scoor jij?).

Ik heb al veel van de BBC geleerd. Zo weet ik nu dat je, in de tijd dat je je handen wast, twee keer ‘happy birthday’ moet kunnen zingen. En dat je vooral ook je duimen goed moet wassen, helemaal rondom (!). Verheffing van het volk door de publieke zender mag nog in het Verenigd Koninkrijk. En ze beginnen met handen wassen.

Het dilemma van Etsy

Een interessant artikel in de Wired, over Etsy.com, een website waar creatievelingen hun handgemaakte artikelen kunnen verkopen. Etsy.com is ooit begonnen als platform voor hobbyisten, die een platform zochten voor hun handgemaakte artikelen. Hobbyisten, die geen tijd en geld wilden steken in het opzetten van een eigen website. En die bovendien te weinig bezoekers zouden krijgen op hun eigen website.

Al vrij snel waren er grote succesnummers op Etsy. Die kregen dan een enorme hoeveelheid orders te verstouwen, die ze onmogelijk allemaal zelf in elkaar konden breien – letterlijk. Eerst moesten dergelijke knutselaars, als ze op die manier uit hun krachten waren gegroeid, toch hun eigen website opzetten. Het gevolg was dat Etsy telkens hun beste verkopers gedag moest zeggen. En er dus ook geen winst meer mee kon maken.

Nu willen ze dat veranderen. Maar er ontstaat een probleem. Want die succesvolle verkopers gaan op zoek naar mensen die hun artikelen in elkaar kunnen zetten. Dat kunnen natuurlijk de neefjes en nichtjes zijn, die de kunst wel willen leren in ruil voor wat extra zakgeld. Maar wat let zo’n verkoper om te kijken of er in India geen mensen zijn die het kunnen? Die zijn waarschijnlijk nog sneller en goedkoper ook.

Maar als ze dat doen – en er is geen goede reden waarom niet -, dan gaat het gezellige, kneuterige karakter van Etsy verloren. En kun je er binnenkort precies dezelfde “handgemaakte” troep kopen als bij de Xenos. Met als extra risico dat Etsy de leden van het eerste uur van zich vervreemdt.

Een interessant probleem, omdat we hierdoor geconfronteerd worden met een waarheid die, zonder dat we er over na wilden denken, natuurlijk al jarenlang realiteit is. Bijna al onze kleding en elektronica wordt namelijk al in het verre oosten gemaakt, door mensen die daar niet bijster goed betaald voor krijgen. Dat onze handgemaakte stoel van sloophout ook in een Chinees dorp met twee miljoen inwoners wordt gemaakt, kan er ook nog wel bij.

We sussen het lichte ongenoegen dat we daarover voelen met het idee: ‘Die mensen staan in de rij om bij de iPhone-fabriek te gaan werken. Anders hadden ze nog minder verdiend.’ En liefst denken we er helemaal niet over na. Want het vervelende is: er zijn alternatieven. Er bestaan fair-trade-broeken met keurmerken die ons verzekeren dat die arbeiders wel een goed loon krijgen. Maar die broeken zitten niet goed. Dus blijven we ons ongenoegen sussen.

 

Fictie: Ziekenbezoek

Ik had besloten hem op te zoeken in het ziekenhuis. Ik kocht een bosje bloemen en een fles whisky. Ik goot de whisky over in een pak appelsap, dat ik met plakband goed dichtmaakte. Ik vermoedde dat het ziekenhuispersoneel alcoholconsumptie door patiënten niet erg op prijs zou stellen. Ik had een kamernummer doorgekregen – F8-23, waarbij F waarschijnlijk de vleugel was, 8 de verdieping en 23 het kamernummer. Dat bleek inderdaad het geval.

Ik liep door de lange gang van de achtste verdieping van de F-vleugel en rook de zware, medicinale ziekenhuislucht die me herinnerde aan mijn korte ziekbed, twee jaar geleden. Ik was door de brandweer uit een gracht gevist, onderkoeld en straalbezopen. Ik was een vriend van me aan het zoeken, ik wist zeker dat hij van de brug was afgesprongen. Ik moest hem redden, en pas toen mijn krachten het begonnen te begeven, zwom ik naar een woonboot. Daar trokken twee brandweermannen me aan mijn armen uit het water.

Terwijl ik werd afgevoerd in de ambulance, zochten de duikers van de brandweer door naar de vriend – die, zo ik later begreep, al uren eerder naar huis was gegaan. Op het moment dat vier duikers met grote zaklampen door het troebele water schenen, lag hij lekker in zijn bed.

Na de rit in de ambulance werd ik ontvangen door twee vriendelijke verpleegsters. Tl-licht, mij onbekende medische apparatuur en de vriendelijke verpleegsters en zorgden ervoor dat ik binnen een mum van tijd weer sober was. Wel voelde ik me nog wat licht in het hoofd. Het was inmiddels alweer ochtend, en ik moest mijn werk bellen dat ik ziek was. Ik ging niet vertellen hoe dat precies gekomen was, en dat hoeft wettelijk gezien ook helemaal niet. Dat telefoongesprek ging goed, de dame van personeelszaken vroeg gelukkig niet door. Vlak voordat ik ophing, verloor ik het bewustzijn. Geen betere plek om dat te doen, dan in een ziekenhuis – ik werd wakker op de grond, omringd door drie verpleegsters. Na een dag mocht ik weer naar huis, en m’n baas heeft er nooit van geweten.

Ik was inmiddels aanbeland bij kamer 23. Ik keek om de hoek – daar lag Johan. Hij leek in slaap, dus ik wist even niet wat te doen. Moest ik hem wakker maken? Mocht dat wel, in zijn toestand? Ik wilde me net omdraaien om een verpleger om raad te gaan vragen, toen ik achter me iemand horde grommen. Opgelucht liep ik op hem af.

‘Johan! Je bent wakker.’

‘Ik was een beetje aan het wegdutten. Goed dat je er bent.’

Hij zag er moe uit. Ze hadden een long weggehaald, vertelde hij, een zware operatie. Hij lag hier al een week, en er waren drie mensen op bezoek geweest: zijn dochter, een buurman en een verre neef. En nu ik dan, de vierde. Ik legde uit dat ik in Parijs zat, dat ik onmogelijk weg kon daar, dat ik was gekomen zodra ik kon. Hij wuifde mijn excuses weg.

‘Je hoeft je toch niet te verontschuldigen. Ik ben blij dat je er bent. En je hebt nog iets meegenomen, zie ik?’

Ik gaf hem de bos bloemen en het pak appelsap.

‘Bloemen en appelsap. Dank je wel. Van bloemen wordt een mens vrolijk.’

‘Van deze appelsap ook,’ zei ik.

Hij lachte: ‘Mijn favoriet? Maak open!’

Ik pulkte het plakband van het pak appelsap, en net toen ik wat wilde inschenken in de witte plastic bekertjes, kwam er een verpleger de kamer binnen.

‘Meneer De Vries, u heeft bezoek, wat leuk! Hoe gaat het nu?’

Johan gromde wat, de verpleger wierp een samenzweerderige blik naar me, en liep de kamer weer uit. Ik schonk alsnog in en we toastten op de goede afloop.

‘Weet je,’ zei Johan, ‘we zijn eigenlijk te jong voor whisky. Het brandt door je keelgat, je wordt er op een vreemde manier dronken van. Maar toch – wat een goddelijke drank.’

Ik knikte. Je had een geweldig uitzicht vanaf de achtste verdieping. De zon zakte weg achter de stad, vliegtuigstrepen lichtten hels oranje op, kriskras over de donkerblauwe hemel. Een vlucht spreeuwen zwierde heen en weer boven het park, om uiteindelijk neer te zijgen in de bomen. De eerste sterren verschenen, als verkenners, wetend dat ze snel versterking zouden krijgen van miljoenen collega’s.

Johan zuchtte. ‘Ik weet dat ik geen allemansvriend ben. En nu ik hier zo zit, met jou, een beetje naar buiten te staren, nu mis ik het ook niet. Er lag hier een oudere man uit India, die continu bezoek had: familie, vrienden, verre familie, vage vrienden. Tientallen mensen tegelijk, achter elkaar. Hij werd er zelf ongelukkig van. Ik ook trouwens, ik heb gevraagd of ik op een andere kamer mocht gaan liggen.’

’Sommige mensen hebben weinig anderen nodig,’ zei ik. ‘Die mensen zijn de kluizenaars van nu.’

Hij knikte en we keken naar buiten. Niet veel later stond ik op, nam afscheid en liep weer terug door de gangen van vleugel F.

Eenmaal buiten zoog ik me vol met de frisse, herfstige lucht van kou en bladeren. Ik liep naar huis, en kwam onderweg langs de gracht waar ik toen, twee jaar geleden, ingesprongen was. Deze keer had ik geen enkele behoefte om het ijskoude water in te springen. De volgende keer dat ik weer in een ziekenhuis zou liggen, dan liever om een goede reden. En dan op de achtste etage, met een goede fles whisky. En liefst alleen.

Dit verhaal is op 9 oktober geschreven, tijdens de eerste sessie van Shut Up & Write Amsterdam, in café De Jaren.

 

Reisverhalen

Daar lagen ze, te stralen in de Amsterdamse nacht. De reisverhalen. De meest bizarre wederwaardigheden, opgetekend in de meest afgelegen plekken van de wereld en misschien zelfs daarbuiten. En hier liggen ze braaf te wachten, totdat een Amsterdamse koper een boek oppakt, doorbladert en denkt: ‘Dit wil ik hebben!’

Bank te koop – niet om op te zitten

 

Deze bank is te koop, en staat ergens aan het einde van de Kinkerstraat. Ik vraag me af of dit de versie ‘2 zit’ is. Daar lijkt hij wat te smal voor.

Je mag ‘m trouwens niet uitproberen. Want anders kan iedereen die eventjes wil uitrusten wel zeggen dat ‘ie de bank aan het proberen was. Nee, je ziet hoe de bank eruit ziet, het is een mooie bank, dus als je hem wilt kopen: voor 350 euro is deze bank van jou.

Bestanden delen

‘Mag ik even gebruik maken van het stopcontact?’ vroeg de jongen. We zaten bij de Coffee Company, een onvermijdelijke werkplek voor een vrije jongen als ik.

‘Jazeker,’ zei ik, en ik trok de stekker van mijn laptop eruit.

‘Ben jij Bas?’ vroeg ik.

‘Ja,’ zei hij verbaasd.

‘Je bent al je bestanden aan het delen op het netwerk,’ zei ik. Want ik had zojuist even door al zijn torrents gebladerd. Die deden vermoeden dat hij zo nu en dan series downloadt van internet.

‘O,’ zei hij, ‘dat vind ik niet erg hoor. Als jij ze wilt hebben, be my guest.’

Om er gelijk aan toe te voegen: ‘Gelukkig heb ik zojuist alle viezigheid uit die map verwijderd.’

Laten we de Eerste Kamer ontbinden

Henk Kamp, de verkenner, heeft verkennende gesprekken gevoerd met de verschillende fractievoorzitters. De uitkomsten hiervan heeft hij opgeschreven in dit document. Uiteraard verschillen de meningen over wie met wie kan, en wie met wie wil.

Daarnaast is er nog het probleem van de Eerste Kamer. Als VVD en PvdA samen een coalitie gaan vormen, dan hebben ze nog geen meerderheid in de Eerste Kamer. De fractievoorzitters van VVD, PvdA, D66 en ChristenUnie zien hier niet zo’n groot probleem in: ze komen er wel uit, daar in de Eerste Kamer.

De Partij voor de Dieren is het daar niet mee eens. Die partij achtte het van belang dat de coalitiepartijen ook een meerderheid in de Eerste Kamer hebben. Maar, en ik citeer: “(…) zag ook ontbinding van de Eerste Kamer met aansluitend verkiezingen voor de Eerste Kamer als mogelijkheid.”

Een wonderlijke oplossing. Want de Eerste Kamer wordt niet direct gekozen, maar wordt door de Provinciale Staten gekozen. Vindt de PvdD dat hier dan ook maar meteen nieuwe verkiezingen voor uitgeschreven moeten worden? Oftewel: we blazen even alle coalities op provinciaal niveau op, we gaan nieuwe verkiezingen uitschrijven, met als enige doel ervoor te zorgen dat VVD en PvdA een meerderheid krijgen in de Eerste Kamer. En dat resultaat staat niet eens vast: over een paar maanden zouden de verkiezingen weer heel anders uit kunnen pakken. En sowieso stemmen mensen provinciaal anders dan landelijk.

Kortom: een bizarre oplossing die geen oplossing is. En een zinnetje uit het verkennende document van Henk Kamp dat onderbelicht is gebleven in de landelijke pers. En dat is waarschijnlijk maar beter ook voor de Partij voor de Dieren.

Aanvulling: Dit is wat de PvdD er zelf over schrijft: “In theorie kan de Eerste Kamer weliswaar ontbonden worden voor nieuwe verkiezingen, en die zouden een andere uitslag te zien kunnen geven gelet op het feit dat er veel PVV statenleden afhaakten, er een breuk gekomen is tussen 50+ en OSF, er  geen D66 statenleden meer met blauwe pen zullen stemmen en er anders omgegaan zal worden met informele lijstverbindingen. Maar sinds 1904 is de senaat niet voortijdig ontbonden, dus die mogelijkheid moet vooralsnog als hypothetisch gezien worden.”

 

Mijn kabelbedrijf

Ik heb zo’n fijn kabelbedrijf.

Ik wilde wat langerzamer internet. En mijn abonnement was verlopen, dus stuurde ik een e-mail om mijn abonnement om te laten zetten. En dat ik wel van die korting voor nieuwe abonnees gebruik wilde maken.

Dat kon natuurlijk niet. Want die korting, tja, die was alleen voor nieuwe abonnees. Maar ze konden me wel een aantrekkelijke aanbieding doen. Een honderd-in-alles-pakket, met 300 zenders en meer van dat onmisbaars.

Maar ik hoefde geen 300 zenders, want ik ken mezelf een beetje. Ik zou de rest van mijn ellendige dagen slijten achter dat feest der fotonen.

Maar ze konden me een korting geven van maar liefst vijf euro! En gegarandeerd snel internet, niet dat langzame gedoe van die prutsers bij adsl. Daar zou ik even over nadenken, en ik hing op. En ik dacht na. En ik zette wat bedragen naast elkaar in een spreadsheet. En de conclusie was: te duur.

Dus ik belde weer op. Dat ik toch echt op wilde zeggen. Ik kreeg een aardige jongen aan de lijn. Die me vroeg wat de doorslaggevende factor was.

‘De prijs,’ zei ik.

‘O,’ zei hij. ‘Nou… Sinds deze week mag ik u een unieke aanbieding doen.’ Dat bleek een waanzinnige korting van maar liefst 15 euro.

Goh, wonderlijk. Want die andere medewerker, die van de vijf euro korting, had ik nog geen uur eerder aan de lijn gehad. Het is wel erg met die inflatie in Europa.

Om een lang verhaal kort te maken: ik ben dus nog steeds bij m’n kabelbedrijf. Maar betaal ineens een stuk minder. Zonder er ook maar iets voor te hoeven doen, behalve bijna op te zeggen. Met dank aan de ‘waanzinnige korting sinds deze week’, die er eerst niet was, en toen weer wel. Want het kabelbedrijf denk ook: wél geld is beter dan níet geld.