in amsterdam, de wereld, korte verhalen, zomer

Maktoem

De zesdeurs geblindeerde Mercedes kwam langzaam naast me tot stilstand. Het raampje van de chauffeur schoof naar beneden. In gebroken Engels vroeg de man achter het stuur: “Sorry meneer, weet u waar Bloemendaal is?”

Ik wilde net gaan uitleggen hoe je moest rijden om in Bloemendaal te geraken, toen de chauffeur zei: “Meneer, u weet waar het is? Zoudt u het erg vinden met ons mee te rijden en de weg te wijzen? Vijfhonderd dollar genoeg? U wordt thuisgebracht.”

Ik moest eigenlijk een tentamen leren, maar tegen vijfhonderd dollar en een ritje in een gigantische, geblindeerde Mercedes zei ik geen nee. Bovendien was het lekker weer: een mooie dag om naar Bloemendaal te gaan.

De chauffeur gebaarde me om naast hem te komen zitten. Ik stapte in en wees hem de weg. Ik vroeg hem hoe het rijden in Amsterdam hem beviel, met alle bruggetjes. Zo’n lange auto heeft het niet makkelijk. Hij gaf toe al aardig gedwaald te hebben, en meer dan een keer achteruit een straat uit gereden te zijn.

Ik wilde net vragen van wie de auto was, toen het geblindeerde schotje achter ons naar beneden zoemde. Ik keek om: daar zat een man in een wit gewaad.

“Een inboorling (‘local’), prachtig,” zei de man met de tulband, “jij gaat ons de weg wijzen?”

Dat beaamde ik.

“Ik ben Sjeik Maktoem bin Rasjid Al Maktoem, hoe heet jij?”

“David,” zei ik.

“Een fraaie joodse naam. Vind je het heel erg als ik je Dahoed noem?”

“Nou ja, wat is er mis met gewoon David?”

“Vooruit, David dan. Vertel eens, hoe is het om in Amsterdam te wonen? Veel drugs zeker?”

Ik vertelde hem dat dat wel meeviel. Hij leek aangenaam verrast: “Dus niet iedereen is hier de hele tijd aan het drugs roken en zo? Ecstacy?”

Hij vertelde dat hij uit Doebai kwam, waar hij een oliebedrijfje bezat. Hij was nu in Amsterdam op vakantie, en voor wat besprekingen met mensen van oliebedrijven. In Bloemendaal had hij een diner met directieleden van een grote Nederlandse oliehandelaar. Als ik zin had om een hapje mee te eten, was ik van harte welkom.

Dat liet ik me geen twee keer zeggen, en een uur later zat ik met Maktoem en een paar hoge piefen van het oliebedrijf te dineren. Maktoem dronk geen alcohol, maar de directieleden dronken voor twee. Maktoem introduceerde me als zijn zaakwaarnemer in Europa, en de heren van het oliebedrijf deden ineens héél vriendelijk tegen me. Volgens mij heb ik er nog wel wat goede deals uitgesleept voor Maktoem. Ze maakten zich wat zorgen over de resterende olievoorraad in Doebai, maar ik kon ze geruststellen.

Laat op de avond reed hij weer terug naar Amsterdam, hij deed een beetje geheimzinnig maar ik had het idee of hij naar de een of andere dure nachtclub ging, vast met heel veel mooie vrouwen. Maar eerst werd ik thuis afgezet, en hoewel het voor mij niet had gehoeven, stond hij erop me duizend dollar te betalen voor het wijzen van de weg. En als ik in Doebai was, moest ik het even laten weten, dan was ik van harte welkom in een van zijn zes villa’s.

Als ik later groot ben, wil ik ook oliesjeik worden.

Geef een reactie

Reactie

  1. Wat een prachtig verhaal. Je zal het maar meemaken zeg, sta je toch even mooi te kijken. Je kan er veel van opsteken denk ik zo en niet te min ook 1000 euro meepakken.