in korte verhalen, somber

In de trein

Trein van Amsterdam CS naar Utrecht, oktobermiddag. Een wat oudere, treurig kijkende vrouw zit aan de andere kant van het gangpad naar buiten te turen.

Een jongen, ongeveer van mijn leeftijd, komt de coupé binnen en gaat tegenover de vrouw zitten. Ze kijkt hem even aan en zucht diep. De jongen glimlacht beleefd, wat zij opvat als een uitnodigiging om een babbeltje te beginnen.

“Het is raar om in de trein te zitten,” zegt ze.

De jongen weet duidelijk niet goed wat hij met die mededeling moet. “O, hoezo?”

“Tja, ik weet niet of ik dat… Nou ja weet je, mijn man is… was, moet ik zeggen, vrachtwagenchauffeur. Gisteren kwam hij vast te staan op een overweg en is hij aangereden door een trein.”

De jongen voelt zich nu zeer ongemakkelijk. “Gecondoleerd,” stamelt hij. “Dat u vandaag alweer met de trein gaat.”

“Je mag jij zeggen hoor.” Ze glimlacht even. “Ik moet wel met de trein: ik heb geen rijbewijs. Vandaag ga ik naar m’n schoonfamilie, wat zaken regelen voor de begrafenis.”

“Ja, dat soort praktische dingen moet natuurlijk ook gebeuren.”

“Het is wel raar, dat hij er nu niet meer is. Ik bedoel, hij was vrachtwagenchauffeur, dus hij was nooit lang thuis. Maar toch… Hij belde iedere avond. Hij zal vast wel eens in een andere stad, met een ander meisje… Misschien wel. Maar daar denk ik liever niet aan.” Ze was even stil, diep in gedachten. Toen keek ze vragend op. “Stel nou hè, dat ‘ie inderdaad een ander meisje… Hoe komt zij het dan te weten, dat ‘ie dood is?”

De jongen wist het ook niet. Op dat moment begon zijn mobiele telefoon te zoemen. Hij maakte een verontschuldigend gebaar en nam op, zichtbaar opgelucht over de onderbreking. “Met Vincent… Frits, jongen, ik zit in de trein… Nee hoor geen probleem, nee ik kan gewoon praten… Ja… Nee… Dat is dus geregeld. Hee en hoe ging je tentamen? O je moet ervandoor. Is Hugo daar ook? Kun je hem even vragen of hij me belt, ik moest hem nog even spreken. Ja dank je! Mazzels!” Hij hing op.

“Vincent?” vroeg de vrouw, “ik heet Marijke. Aangenaam!”

“Ja, aangenaam,” antwoordde Vincent. Op dat moment begon zijn telefoon weer te zoemen. “Hugo, kerel, alles wel?” Vincent deed er alles aan om het gesprek zo lang mogelijk te laten duren. Ondertussen keek de vrouw naar buiten.

Toen we Amsterdam Amstel naderden, stond Vincent al bellend op en liep naar de treindeur. Ik dacht even dat Marijke met mij wilde gaan praten, maar toen draaide ze zich weer naar het raam.

Halverwege de reis stonden we nog even stil ‘wegens een aanrijding bij Utrecht’. Ik zag haar slikken maar ze hield zich groot.

Toen we een half uur later in Utrecht waren aangekomen, stapten we allebei uit en liepen naar de roltrap. Vanuit m’n ooghoeken zag ik een jongen wegduiken, maar ik had al gezien wie het was.

Vincent.

Geef een reactie

Reactie