in herinneringen

Een vader uit de oorlog

Mijn vader heeft de hongerwinter nog bewust meegemaakt. Er zijn er weinig van mijn generatie die dat kunnen zeggen. En ik denk dat dat, op een bepaalde manier, wel degelijk invloed heeft op mijn wereldbeeld.

Zo heeft mijn vader de grootste moeite met het weggooien van eten. Als we een pakje tegenkomen waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum inmiddels een half decennium achter ons ligt, twijfelt hij altijd of het weggegooid moet worden. ‘Dat is toch nog wel goed?’ vraagt hij dan.

Ik ken de verhalen over de ‘molsla’, de sla gemaakt van paardenbloemen. En het halfrotte vlees dat kinderen kregen van de Duitse soldaten. En hoe lekker dat was! En de bloembollen, die hij at maar waarvan hij verschrikkelijke diarree kreeg. En hoe zijn vader een zak aardappelen had weten te regelen, waar mijn vader ook van mocht eten. Mijn vader’s vader was namelijk gescheiden.

Mijn oma was hertrouwd met een kunstschilder. Ze kenden een oudere joodse vrouw, die de hele oorlog op hun zolder heeft doorgebracht. Mijn vader was zeven toen de oorlog begon, twaalf toen die eindigde. Het vriendje van mijn vader was het zoontje van de buren, die NSB’ers waren. Je begrijpt dat mijn vader niets over de joodse vrouw op zolder mocht zeggen tegen het vriendje. Volgens mijn vader vermoedden het vriendje en zijn ouders wel het een en ander. Maar ze vonden het onnodig om dit aan de Duitsers te verklappen. Waarvan ik weer geleerd heb dat de ene NSB’er de andere niet is.

Volgens mij heb ik, doordat mijn vader de oorlog heeft meegemaakt, ook een groter wantrouwen tegen De Staat. Cameratoezicht, preventief fouilleren, registratie van afkomst: voor mij zal er altijd een verdacht luchtje aan zitten. Prima, zolang de regering zich gedraagt. Maar ik ga er niet vanuit dat dat altijd zo zal blijven. ‘Als je niets hebt misdaan, heb je ook niets te vrezen,’ zo proberen de voorstanders ons gerust te stellen. Maar ik vraag het me eerlijk gezegd af. Eenmaal in de verkeerde database, met of zonder reden, en je komt er niet meer zo snel uit.

Tot slot de saamhorigheid. Probeerden de Duitsers in het begin van de oorlog nog de ‘hearts and minds’ van de Nederlanders te veroveren, gaandeweg deden ze steeds minder moeite. En de afschuw over de bezetting nam toe. Mijn vader en zijn vriendjes zongen stieken anti-Duitse liedjes en vertelden anti-Duitse moppen. Hoewel naar huidige maatstaven nauwelijks grappig. rolden ze over de grond van het lachen.

Na de oorlog verdween die saamhorigheid al snel: binnen een paar jaar was het weer alsof er nooit een bezetting geweest was. Er was geen vijand meer. En het vermoeden bestaat dat veel mensen, waaronder mijn oma, heel erg terugverlangden naar die spannende tijd. Een dergelijke broederlijkheid vind je tegenwoordig nog slechts op de Nederlandse plassen als het gevroren heeft en de hele natie over het ijs aan het zwieren is.

Dat heb ik me tenminste laten vertellen.

Geef een reactie

Reactie