Niet zo afgevraagd

Ik had me dat eigenlijk, om eerlijk te zijn, nooit zo afgevraagd, zei ik tegen de man met de zeis.

De man zuchtte.

Je hele leven, zei hij, weet je al dat ik kom. Maar je ooit iets afvragen, ho maar.

Ga nu maar slapen, vervolgde hij. Als de tijd nooit meer stopt of weer opnieuw begint, krijg je nog een kans.

Ik knikte en liet me in slaap sussen, als zo vaak.

De ijscoman

Friso en ik gaan twee blikjes Fanta kopen bij de Italiaanse ijscoman in het Vondelpark. Net als we aan de beurt zijn, vraagt een jongen eventjes snel een servetje aan de ijscoman. Hij heeft waarschijnlijk iets gemorst en wil dat opvegen.

‘Betalen’, zegt de ijscoman. De jongen kijkt wat verbaasd, maar wil best betalen voor een servetje. Maar de collega van de ijscoman, die iets verderop staat, is het hier niet mee eens, en begint in het Italiaans te ratelen tegen de ijscoman.

De rij achter Friso en mij groeit gestaag. De jongen die het servetje vroeg, heeft hier nu spijt van. Maar de ijscoman en zijn collega trekken zich van niemand iets aan. Ze schreeuwen tegen elkaar, en uit de flarden die ik begrijp maak ik op dat ze elkaar niet erg aardig vinden op dit moment. Friso vindt het een beetje eng en intrigerend tegelijk.

‘Laat dat servetje maar zitten,’ zegt de jongen en hij loopt weg. Maar de mannen zijn te druk met elkaar bezig om het op te merken.

Dan keert de ijscoman zich naar mij. ‘Ja?’

‘Twee Fanta, alstublieft,’ zeg ik.

De ijscoman pakt een Fanta uit de koelkast, ‘dit is de enige koude’, en zet de Fanta die de hele dag in de zon op de toonbank heeft gestaan ernaast. ‘Vier euro’.

Hoewel ik geen groot voorstander ben van warme frisdrank (een contradictio in terminis, als je het mij vraagt), betaal ik de ijscoman en maken Friso en ik ons uit de voeten.

Met deze ijscoman wil je geen ruzie.

Tijd te zijn

En toen gingen we naar de speeltuin
En ik heb in de zandbak gespeeld
Het had ook al geregend en
Er was veel modder en daar mocht ik niet in
“Niet in de modder, nee, niet in de modder
Daar mag je niet in”
Maar ik deed het toch, stiekem,
En toen moest mamma wassen en dat vond ze niet zo leuk
Maar ze moest ook wel een beetje lachen
Want ik had ook blubber in m’n haar
Dat vond ze best wel raar

En toen ging die jongen met me vechten
Ik weet niet precies waarom
En toen ging ik wegrennen want ik kan helemaal niet vechten
Maar toen de andere dag kwam ik hem weer tegen
Hee, daar is die jongen, ik doe net of ik hem niet zie
En toen ging ie niet meer met me vechten
Maar dat was omdat hij een pokemonkaart wilde ruilen
Dus toen deed ie niet zo stom
Ik weet wel waarom

En toen ging ik dromen van een monster
En het monster kwam me zoeken
Maar ik zat onder de deken, en toen
Toen zag ie me niet en ging ie weg
Hee, het monster gaat nu weg
En pas toen durfde ik om mama te roepen
En ik riep en ik riep
Maar mamma kon me niet horen, en toen
Duurde het best lang voordat ik ging slapen

En toen ging ik fikkie stoken, samen met Lars
Lars is een vriendje die woont bij me in de straat
En hij had lucifers en ik had een paar kranten
En toen ging dat lekker branden, en het rook zo fijn
Maar het gras was droog, en toen ging het gras ook branden
En toen renden we weg en ik hoorde zelfs de brandweer
Snel weg, de brandweer komt eraan
En de volgende dag ben ik gaan kijken
En toen was alles zwartgebrand

Directiekamer

‘Daar,’ hij wees trots naar boven, ‘heb ik ooit eens bijna de liefde bedreven’. Zijn wijsvinger priemde naar de directiekamer van het hoofdkantoor van de ING.
‘Op de vergadertafel van de directie. Ik had hem leren kennen via een datingsite. We zaten die avond een beetje te chatten en toen vroeg hij, waarom kom je niet even langs op m’n werk? Hij is portier in dit gebouw, draait de nachtdiensten.’
‘En toen?’
‘Dat vond ik wel een spannend idee. Dus ik op de fiets hiernaartoe. Hij heeft me een rondleiding gegeven door het hele gebouw. Maar uiteindelijk is er niets gebeurd.’
‘Waarom niet?’
Hij zuchtte. ‘Ik vond het geen mooie jongen.’
Tja. Dan houdt het op.

Maktoem

De zesdeurs geblindeerde Mercedes kwam langzaam naast me tot stilstand. Het raampje van de chauffeur schoof naar beneden. In gebroken Engels vroeg de man achter het stuur: “Sorry meneer, weet u waar Bloemendaal is?”

Ik wilde net gaan uitleggen hoe je moest rijden om in Bloemendaal te geraken, toen de chauffeur zei: “Meneer, u weet waar het is? Zoudt u het erg vinden met ons mee te rijden en de weg te wijzen? Vijfhonderd dollar genoeg? U wordt thuisgebracht.”

Ik moest eigenlijk een tentamen leren, maar tegen vijfhonderd dollar en een ritje in een gigantische, geblindeerde Mercedes zei ik geen nee. Bovendien was het lekker weer: een mooie dag om naar Bloemendaal te gaan.

De chauffeur gebaarde me om naast hem te komen zitten. Ik stapte in en wees hem de weg. Ik vroeg hem hoe het rijden in Amsterdam hem beviel, met alle bruggetjes. Zo’n lange auto heeft het niet makkelijk. Hij gaf toe al aardig gedwaald te hebben, en meer dan een keer achteruit een straat uit gereden te zijn.

Ik wilde net vragen van wie de auto was, toen het geblindeerde schotje achter ons naar beneden zoemde. Ik keek om: daar zat een man in een wit gewaad.

“Een inboorling (‘local’), prachtig,” zei de man met de tulband, “jij gaat ons de weg wijzen?”

Dat beaamde ik.

“Ik ben Sjeik Maktoem bin Rasjid Al Maktoem, hoe heet jij?”

“David,” zei ik.

“Een fraaie joodse naam. Vind je het heel erg als ik je Dahoed noem?”

“Nou ja, wat is er mis met gewoon David?”

“Vooruit, David dan. Vertel eens, hoe is het om in Amsterdam te wonen? Veel drugs zeker?”

Ik vertelde hem dat dat wel meeviel. Hij leek aangenaam verrast: “Dus niet iedereen is hier de hele tijd aan het drugs roken en zo? Ecstacy?”

Hij vertelde dat hij uit Doebai kwam, waar hij een oliebedrijfje bezat. Hij was nu in Amsterdam op vakantie, en voor wat besprekingen met mensen van oliebedrijven. In Bloemendaal had hij een diner met directieleden van een grote Nederlandse oliehandelaar. Als ik zin had om een hapje mee te eten, was ik van harte welkom.

Dat liet ik me geen twee keer zeggen, en een uur later zat ik met Maktoem en een paar hoge piefen van het oliebedrijf te dineren. Maktoem dronk geen alcohol, maar de directieleden dronken voor twee. Maktoem introduceerde me als zijn zaakwaarnemer in Europa, en de heren van het oliebedrijf deden ineens héél vriendelijk tegen me. Volgens mij heb ik er nog wel wat goede deals uitgesleept voor Maktoem. Ze maakten zich wat zorgen over de resterende olievoorraad in Doebai, maar ik kon ze geruststellen.

Laat op de avond reed hij weer terug naar Amsterdam, hij deed een beetje geheimzinnig maar ik had het idee of hij naar de een of andere dure nachtclub ging, vast met heel veel mooie vrouwen. Maar eerst werd ik thuis afgezet, en hoewel het voor mij niet had gehoeven, stond hij erop me duizend dollar te betalen voor het wijzen van de weg. En als ik in Doebai was, moest ik het even laten weten, dan was ik van harte welkom in een van zijn zes villa’s.

Als ik later groot ben, wil ik ook oliesjeik worden.

Straf

Het was zomer, Marianne en ik zaten te lunchen voor de deur van haar appartement – aan de Herengracht, voor minder doen wij het niet – en van de zon te genieten. Veel mensen liepen langs en groetten ons, veel toeristen, en ook een sjofel uitziende man van tegen de veertig.

“Goedemiddag, wat zit u hier gezellig. Heb u voor mij wat kleingeld?”

Dat hadden wij niet, een goed belegde boterham hadden we wel.

“Graag, dankuwel”, zei de man.

Marianne ging naar binnen om de boterham klaar te maken, de man en mij samen achterlatend.

“Tja, ik ben maar een beetje aan het bedelen. Ik heb vannacht buiten moeten slapen, naast de IJ-tunnel.”

“Kun je niet ergens binnen slapen?” vroeg ik.

“In de opvang? Heb ik geen geld voor. Me uitkering is stopgezet.”

“O,” zei ik. “Kan dat zomaar?”

“Nou kijk,” zei de man, “het zit zo. Ik was een maandje geleden bij de daklozenopvang. En toen was daar een kerel, die zei wat over m’n moeder. Je weet wel. Nou, je kan bij mij veel maken, maar je moet niets zeggen over m’n moeder. Dan heb je bonje. Dus toen heb ik hem gevloerd.”

Hij maakte een boksbeweging in de lucht. Dat zag er overtuigend uit, zeker in combinatie met zijn reuzenknuisten. “Kaak gebroken. Eigenlijk moest ik de lik in, maar zo’n rechter weet ook dat hij me daar niet mee straft. Doe mij maar een paar weken een dak boven m’n hoofd en een beetje rust, geen probleem.”

Ik kon het me moeilijk voorstellen, dat iemand het fijn zou vinden in de gevangenis.

“De bak in, da’s een soort beloning. Daar wil ik best iemand me vuist in ze gezicht duwen, no problem. Dus die rechter denkt ook, dat moeten we niet hebben, anders krijgen we dit wekelijks. Dus toen heeft ‘ie als straf m’n uitkering stopgezet. Hij denkt dat hij me daarmee wel kan pakken.”

“En nu ben je dus aan het bedelen?”

“Ja, ik moet wel. Maar ik kan je vertellen, het verdient best redelijk, hoor. Ik heb niets te klagen. De reden dat ik buiten slaap is eigenlijk dat ik dan meer geld overhou voor een biertje op z’n tijd, begrijp je.”

Op dat moment kwam Marianne weer terug met de boterham. De man nam een grote hap, groette ons en struinde weg.

Ik moest denken aan die arme rechter, die machteloos stond tegenover zo veel nonchalance. Sommige mensen zijn niet te straffen.

Veel dingen

Wat heeft een mens veel dingen. Je zou toch zeggen dat je met een paar woordenboeken, de complete Shakespeare, een bijbeltje, een laptop, een tafel en een bed een heel eind zou moeten komen. Maar nee! Deze jongen heeft hele stapels boeken, kleren, kleine dingen die hij in de loop van de tijd heeft verzameld. En alles heeft een fokking emotionele waarde. Hoe lang ga ik al die troep nog met me mee slepen? Ooit ga ik toch naar het buitenland, en dan kan ik die dingen toch ook niet allemaal meenemen?

Help!

Debatleider

Poeh poeh, wat is het warm.

Deze eerste zin nodigt niet echt uit om verder te lezen: hoeveel bloggers zullen vandaag hetzelfde geblogd hebben? 354, schat ik.

Anyways, het was een mooie dag. Ik was vroeg wakker, maar dat kwam ook omdat ik een beetje nerveus was. Waarom? Omdat ik ’s avonds een debat moet leiden van Milli Gürüs, de Turkse organisatie die zich inzet voor de emancipatie van de Turkse moslimgemeenschap in Nederland.

Het thema was ‘loverboys’, er waren goede sprekers geregeld en ik moet zorgen voor de participatie van het publiek. En dat was juist het probleem: de sprekers waren iets té goed, en hoorden zichzelf iets te graag praten. Het was snikheet, dus het was belangrijk om de aandacht van mensen erbij te houden. En dat werkt niet als je in een antwoord van 10 minuten drie keer hetzelfde zegt.

Verder was het erg leuk, men was ook tevreden over mijn optreden en daar doe je het uiteindelijk voor. Nu zit ik een beetje in mijn kamer na te chillen met een glas sojamelk. Een kamer die na dit weekend niet langer mijn kamer is: dan ga ik verhuizen naar de twee andere kamers. Relaxed ouwe! Zeker tijdens de winter.

Minderhedendebat

Gisteren was er een bijeenkomst, georganiseerd door de PvdA in Oud Zuid, waarbij allochtonen en autochtonen om de tafel gingen zitten om de ‘stand van het land’ door te nemen. Hoewel het een zonnige zaterdagmiddag was, was de opkomst aardig hoog: ongeveer 30 man waren op komen dagen. Ik moest notuleren.

Het was ontzettend leuk. De aanwezige allochtonen waren zeker niet op hun mondje gevallen en lieten duidelijk blijken hoe ze over de situatie dachten. Ze vonden het jammer dat de sfeer bekoeld is sinds 11 september en de moord op Theo van Gogh. Het verschil merken ze wel degelijk. Ze gaven aan dat ze het op prijs stelden dat er een politieke partij met ze in debat trad.

Ook de autochtonen vonden het erg leuk. (Overigens is autochtonen een wat vreemd woord, gezien het feit dat veel van de ‘allochtonen’ al 30 jaar of in Amsterdam woonden, terwijl sommige van de ‘autochtonen’ hier pas 5 jaar wonen). Sommige PvdA’ers merkten verbaasd op: ‘dit was eigenlijk de eerste keer dat ik met Marokkanen om een tafel zit om het over dit soort dingen te hebben’. De fractie overigens niet: die treedt regelmatig in debat met allerlei groepen in het stadsdeel.

Heel leuk was dat er een jongen was van 13 jaar, die een prachtig betoog afstak waar iedereen ademloos naar zat te luisteren. Hij gaf aan later misschien wel de politiek in te willen, en dat leek iedereen een goed idee.

Gordon Richardson

Dat zijn de snoepjes van het leven: een presentatie door Gordon Richardson, vooraanstaand wetenschapper en editor van het tijdschrift ‘Contemporary Accounting Review’. Hij vertelde over hoe je te werk moet gaan als je een artikel gepubliceerd wilt krijgen in een tijdschrift. Ik had me goed voorbereid (hij had een aantal case studies opgestuurd) en in zo’n geval heb ik altijd wel een grote mond. Hij was het redelijk vaak met me eens.

Daarna gingen we nog wat eten, met z’n tienen, ik zat naast Richardson. Mijn scriptiebegeleider, professor Hodgson, was er ook bij. Het was er gezellig en leerzaam. Misschien krijg ik zelfs wel zin om een PhD te doen, zo enthousiast waren al deze onderzoekers bij elkaar. But then again, het universitaire wereldje is niets voor mij, ik heb liever nog mijn eigen bedrijfje dan dat, ben ik bang.