Het dilemma van Etsy

Een interessant artikel in de Wired, over Etsy.com, een website waar creatievelingen hun handgemaakte artikelen kunnen verkopen. Etsy.com is ooit begonnen als platform voor hobbyisten, die een platform zochten voor hun handgemaakte artikelen. Hobbyisten, die geen tijd en geld wilden steken in het opzetten van een eigen website. En die bovendien te weinig bezoekers zouden krijgen op hun eigen website.

Al vrij snel waren er grote succesnummers op Etsy. Die kregen dan een enorme hoeveelheid orders te verstouwen, die ze onmogelijk allemaal zelf in elkaar konden breien – letterlijk. Eerst moesten dergelijke knutselaars, als ze op die manier uit hun krachten waren gegroeid, toch hun eigen website opzetten. Het gevolg was dat Etsy telkens hun beste verkopers gedag moest zeggen. En er dus ook geen winst meer mee kon maken.

Nu willen ze dat veranderen. Maar er ontstaat een probleem. Want die succesvolle verkopers gaan op zoek naar mensen die hun artikelen in elkaar kunnen zetten. Dat kunnen natuurlijk de neefjes en nichtjes zijn, die de kunst wel willen leren in ruil voor wat extra zakgeld. Maar wat let zo’n verkoper om te kijken of er in India geen mensen zijn die het kunnen? Die zijn waarschijnlijk nog sneller en goedkoper ook.

Maar als ze dat doen – en er is geen goede reden waarom niet -, dan gaat het gezellige, kneuterige karakter van Etsy verloren. En kun je er binnenkort precies dezelfde “handgemaakte” troep kopen als bij de Xenos. Met als extra risico dat Etsy de leden van het eerste uur van zich vervreemdt.

Een interessant probleem, omdat we hierdoor geconfronteerd worden met een waarheid die, zonder dat we er over na wilden denken, natuurlijk al jarenlang realiteit is. Bijna al onze kleding en elektronica wordt namelijk al in het verre oosten gemaakt, door mensen die daar niet bijster goed betaald voor krijgen. Dat onze handgemaakte stoel van sloophout ook in een Chinees dorp met twee miljoen inwoners wordt gemaakt, kan er ook nog wel bij.

We sussen het lichte ongenoegen dat we daarover voelen met het idee: ‘Die mensen staan in de rij om bij de iPhone-fabriek te gaan werken. Anders hadden ze nog minder verdiend.’ En liefst denken we er helemaal niet over na. Want het vervelende is: er zijn alternatieven. Er bestaan fair-trade-broeken met keurmerken die ons verzekeren dat die arbeiders wel een goed loon krijgen. Maar die broeken zitten niet goed. Dus blijven we ons ongenoegen sussen.

 

Laten we de Eerste Kamer ontbinden

Henk Kamp, de verkenner, heeft verkennende gesprekken gevoerd met de verschillende fractievoorzitters. De uitkomsten hiervan heeft hij opgeschreven in dit document. Uiteraard verschillen de meningen over wie met wie kan, en wie met wie wil.

Daarnaast is er nog het probleem van de Eerste Kamer. Als VVD en PvdA samen een coalitie gaan vormen, dan hebben ze nog geen meerderheid in de Eerste Kamer. De fractievoorzitters van VVD, PvdA, D66 en ChristenUnie zien hier niet zo’n groot probleem in: ze komen er wel uit, daar in de Eerste Kamer.

De Partij voor de Dieren is het daar niet mee eens. Die partij achtte het van belang dat de coalitiepartijen ook een meerderheid in de Eerste Kamer hebben. Maar, en ik citeer: “(…) zag ook ontbinding van de Eerste Kamer met aansluitend verkiezingen voor de Eerste Kamer als mogelijkheid.”

Een wonderlijke oplossing. Want de Eerste Kamer wordt niet direct gekozen, maar wordt door de Provinciale Staten gekozen. Vindt de PvdD dat hier dan ook maar meteen nieuwe verkiezingen voor uitgeschreven moeten worden? Oftewel: we blazen even alle coalities op provinciaal niveau op, we gaan nieuwe verkiezingen uitschrijven, met als enige doel ervoor te zorgen dat VVD en PvdA een meerderheid krijgen in de Eerste Kamer. En dat resultaat staat niet eens vast: over een paar maanden zouden de verkiezingen weer heel anders uit kunnen pakken. En sowieso stemmen mensen provinciaal anders dan landelijk.

Kortom: een bizarre oplossing die geen oplossing is. En een zinnetje uit het verkennende document van Henk Kamp dat onderbelicht is gebleven in de landelijke pers. En dat is waarschijnlijk maar beter ook voor de Partij voor de Dieren.

Aanvulling: Dit is wat de PvdD er zelf over schrijft: “In theorie kan de Eerste Kamer weliswaar ontbonden worden voor nieuwe verkiezingen, en die zouden een andere uitslag te zien kunnen geven gelet op het feit dat er veel PVV statenleden afhaakten, er een breuk gekomen is tussen 50+ en OSF, er  geen D66 statenleden meer met blauwe pen zullen stemmen en er anders omgegaan zal worden met informele lijstverbindingen. Maar sinds 1904 is de senaat niet voortijdig ontbonden, dus die mogelijkheid moet vooralsnog als hypothetisch gezien worden.”

 

Zon, hitte, zomerweer

En net als je weliswaar niet op kantoor hoeft te zitten, maar hard aan je scriptie moet schrijven, wordt het heerlijk weer. Dat zul je net zien! Je collega’s, vrienden en familie verwachten dat je die scriptie nu eindelijk eens af gaat maken, maar nee: meneer zit lekker in het park met een wijntje en een stokbroodje. Om na die twee weken vrij beschaamd te moeten melden: ik ben nog niets opgeschoten.

‘Waarom niet?’

‘Het was te warm.’

‘O ja.’

Maar ja. Als we gewoon hadden moeten werken, waren we ook niet blij geweest met het heerlijke weer buiten. Dan hadden we smachtend naar buiten gekeken. En omdat iedereen vroeg naar huis wil, is er zo veel te doen dat je rustig op het werk kan zitten totdat de zon net onder is.

En als we echt gewoon honderd procent vrij waren geweest, dan waren we naar een ver land gegaan. En hadden we gebaald omdat het daar regende, terwijl het hier in Nederland heerlijk weer was.

Dus eigenlijk is het nooit goed. We hebben geen levensritme dat het toestaat om eventjes een week lang ad-hoc vrij te nemen als het buiten lekker weer is. En waarom zouden we ook? In de zon liggen bakken is ook niet gezond, daar krijg je nare ziektes van.

Dus eigenlijk is het maar goed dat we niet zomaar in de zon kunnen gaan zitten wanneer wij dat willen. Maar die scriptie, dat lukt echt niet als het binnen dertig graden is.

‘O.’

Jezelf als merk

Van iemand waar ik mee samenwerkte kreeg ik, na de opdracht, het boekje ‘Het merk JIJ’ (link). Het is een boekje waarin wordt uitgelegd hoe je je zo kunt vormen, dat je het beste verkoopt in ‘de markt’. En ‘de markt’ kan van alles zijn: jij als zelfstandig ondernemer richting klanten, maar ook jij als medewerker van een multinational, binnen die multinational. Of jij als partner richting je partner.

Daar moest ik aan denken toen ik las dat een invloedrijke psychoanalyticus, Erich Fromm, vlak na de oorlog al de trend signaleerde van mensen om zichzelf te verkopen als merk. Hij zag deze levenshouding als een niet-productieve manier van leven. Uit ‘Man for himself’ (1947): “Het concept ‘marktwaarde’, waarbij de nadruk ligt op ruilwaarde en niet op gebruikswaarde, heeft ertoe geleid dat men hetzelfde concept toepast op mensen toegepast, en in het bijzonder op zichzelf’.

Erich Fromm ziet het niet als probleem dat mensen bepaalde vaardigheden en kennis opdoen, die in trek is bij anderen. Wat hij bedoelt met de niet-productieve marketing-oriëntatie is dat mensen zich in tweeën splijten: de timmerman die de deur timmert, en de verkoper van de timmerman die de timmerman aan de man probeert te brengen. In de woorden van Fromm: “(…) doordat succes voornamelijk afhangt van hoe goed je je persoonlijkheid kunt verkopen, ziet men zichzelf als een grondstof, of beter, als tegelijkertijd de grondstof en de verkoper van die grondstof”. Om te vervolgen: “Iemand is niet meer bezig met leven en gelukkig zijn, maar met zo verkoopbaar mogelijk te worden”. Daarnaast levert iemand zich op die manier uit aan de grillen van de markt, en valt ten prooi aan grote onzekerheden, die gevoed worden als zijn ‘marktwaarde’ niet hoog genoeg blijkt te zijn.

Ik heb het boekje maar bij het oud papier gedaan.

Populistische politiek en de angst voor de dood

Zeker een aanrader: de documentaire ‘Flight from Death: The Quest for Immortality’ (imdb). Deze documentaire gaat over onze angst om dood te gaan, een angst die ons vooral onbewust bezighoudt. En over hoe we omgaan met deze angst, en allerlei oplossingen bedenken die ervoor moeten zorgen dat we na onze dood op de een of andere manier door blijven leven.

Een van de hypotheses die psychologen in de documentaire testen en bewijzen, is dat we de dood willen omzeilen door middel van cultuur. ‘Cultuur’ is een enorm project waar we met z’n allen aan werken. En dit project zal doorgaan, ook als wij er niet meer zijn. Welke vorm ‘cultuur’ aanneemt is niet eens zo heel relevant. ‘De islam’ kan zo’n cultuur zijn, maar ook ‘de wetenschap’, ‘het kapitalisme’ of ‘de VS’. Zolang er iets groters is waar we in kunnen geloven, kunnen wij als individu sterven, maar de grotere idee blijft bestaan.

Omdat ons voortbestaan bijna letterlijk van het voortbestaan van onze cultuur of ideologie afhangt, zijn we bereid om erg ver te gaan om deze te verdedigen. Het voorbeeld dat in de documentaire gebruikt werd, was de aanval op de Twin Towers op 11 september 2001. De terroristen kiezen een symbool van de Amerikaanse cultuur uit om aan te vallen (Twin Towers, Pentagon). De Amerikanen worden op zeer onomwonden wijze geconfronteerd met hun sterfelijkheid. De onmiddellijke reactie is agressie: tegen de Taliban, maar ook tegen mannen met tulbanden. En naast agressie is de reactie ook meteen nationalistisch van aard: ‘Niemand krijgt Amerika klein’. Iedereen stelt elkaar gerust: onze cultuur is en blijft de beste.

De psychologen deden experimenten, waarbij ze proefpersonen eerst op subtiele wijze met hun sterfelijkheid confronteerden. Daarna werd gemeten hoe de proefpersonen dachten over hun eigen cultuur. Wat bleek? Als proefpersonen eerst met hun eigen sterfelijkheid werden geconfronteerd, klampten ze zich daarna sterker vast aan hun eigen culturele symbolen.

Maar in een samenleving die zo door en door seculier is als de onze, hoe bestrijden wij dan onze doodsangst? Populistische politici weten hier een makkelijk antwoord op: door ons vast te klampen aan onze cultuurl Ooze verdraagzaamheid, onze veiligheid, onze Dik Trom en andere rood-gebloste jongens. Onze gulden, die de PVV zo graag weer terug zou zien, ook al zou het ons tientallen miljarden euro’s kosten. Onze Nederlands-heid: weg met Europa! Daarom zijn populisten vaak zo tegen globalisering: het is een directe bedreiging van onze eigen cultuur.

En daarom is de islam ook zo bedreigend voor veel mensen. Niet omdat er een paar terroristen tussen zitten (hoe groot is de kans dat die een aanslag plegen in Almere?) Niet omdat islamitische jongeren overlast veroorzaken (die jongens zijn vaak nog nauwelijks islamitisch). De islam is zo bedreigend omdat moslims een betere manier hebben om de dood te overwinnen.

Natuurlijk waren we hier in Nederland in eerste instantie blij met onze vooruitgang. Wij, nuchtere Hollanders, hielden nooit zo van mystieke praatjes, en in de jaren vijftig en zestig zwoeren duizenden mensen het christendom af. Wij hadden Darwin en zijn evolutietheorie. Als je homo was, prima! Afgezien van wat rare teksten van duizenden jaren geleden, was er geen goede reden om dat af te keuren. Als je dood wilde als je heel erg ziek was, moest dat kunnen. Want wederom was er geen goede reden voor om dat af te keuren.

Maar het gevolg van het afzweren van geloof en zingeving, is dat het leven wel erg nutteloos wordt. We moeten namelijk ergens in geloven om zin aan ons leven te geven. Dus gaan we maar heel erg in het krijgen van kinderen geloven. Of in het verdienen van geld. Of in het schrijven van een boek.

‘Religie is de opium voor het volk.’ Religie was volgens Marx een kwalijke zaak. Maar wat nou als het volk opium wil? Het is niet voor niets een verslavend middel. Zonder opium is het leven maar saai en grijs. En zonder religie wordt het leven wel erg betekenisloos.

Moslims hebben die opium wél. En wij niet. Ondertussen wordt onze cultuur steeds meer Europees, met vooral veel Oost-Europeanen die deze kant op komen om te werken. Geen wonder dus dat Wilders zijn pijlen richt op moslims en Oost-Europeanen.

Populistische politici en hun kiezers zijn bang. Bang voor verlies van cultuur. Want als onze cultuur verdwijnt, dan verdwijnt het Project Nederland. En dan is er over 200 jaar niets meer dat aan ons herinnert.

Problemen bij een woningcorporatie

Woningcorporatie Vestia is in de problemen. En, zo lees ik in de krant en zie ik op het nieuws, dat komt omdat Vestia speculeerde. Met ingewikkelde financiële instrumenten die ‘derivaten’ heten.

Sinds de kredietcrisis zijn alle ‘derivaten’ ineens verdacht. Ook al zijn er best derivaten waarmee je risico juist verkleint in plaats van vergroot. Maar dat vergeten mensen even. Derivaten = ingewikkeld en ingewikkeld = gevaarlijk. Punt.

Nu zit ik, om het maar even populair te zeggen, in de ‘derivatenbusiness’. Ik moet er beroepshalve veel vanaf weten. Het grote probleem van de berichtgeving over Vestia op dit moment is dat niemand weet hoe het precies zit. Op basis van de jaarrekening uit 2010 lijkt het alsof ze inderdaad bepaalde risicovolle derivaten hebben afgesloten. Maar het voornaamste en meesta acute probleem lijkt toch het onderpand te zijn, dat ze moeten storten. Ik zal het proberen uit te leggen.

Om wat voor derivaten gaat het hier?

Vestia bouwt huizen. Om te kunnen bouwen, sluit Vestia langlopende leningen af. Deze leningen hebben een looptijd van soms wel veertig jaar, en vaak moet Vestia variabele rente betalen over deze leningen.

Variabele rente wil zeggen dat het rentepercentage dat Vestia moet betalen ieder jaar opnieuw wordt bepaald, op basis van de marktrente. Als het, zoals nu, slecht gaat met de economie, is de rente vaak laag. Als de economie weer aantrekt, wordt de rente hoger en moet je dus meer rente betalen over je leningen.

Dat is een risico; je betaalt nu lage rente, maar als de rente stijgt, moet je over een paar jaar veel rente betalen. Daar had Vestia geen zin in. Daarom sloten ze een rentederivaat af. Dat is een contract waarmee je afspreekt met de tegenpartij (meestal banken) dat je variabele rente gaat ontvangen, en vaste rente zult betalen. Met die variabele rente die je ontvangt, kun je de variabele rente op je lening betalen. En de vaste rente die je betaalt, blijft altijd hetzelfde percentage.

Aangezien Vestia de gebouwde huizen gaat verhuren, en daar dus vaste huurinkomsten over ontvangt tot in lengte van dagen, is er niks aan de hand. Vaste huurinkomsten, vaste rente-uitgaven, geen vuiltje aan de lucht. Toch?

Hoe kon het dan toch zo fout gaan?

Dat komt door een clausule in dat derivatencontract. Die clausule, in jargon een ‘CSA’ of ‘Credit Support Annex’ geheten, kan aardig roet in het eten gooien. Want hoewel het lijkt of er richting de toekomst weinig spannends gebeurt (vaste inkomsten, vaste uitgaven), kan een derivaat onverhoeds toch een forse waarde ontwikkelen (in de appendix onderaan staat uitgelegd hoe dat kan). En als je als bedrijf zo’n CSA hebt afgesloten met een bank, beloof je om die waarde bij te storten op een speciale rekening waar je zelf niet meer bij kunt (als onderpand). Zodat, als je onverhoopt failliet mocht gaan, de bank alsnog de waarde van het derivaat ontvangen – de curator heeft namelijk niks te zeggen over die speciale bankrekening.

Zo’n CSA werkt overigens twee kanten op: als de waardeontwikkeling van het derivaat in het voordeel van Vestia is, dan moet de bank er een saldo op storten. Als de bank dan failliet gaat (tegenwoordig ook niet ondenkbeeldig), dan mag Vestia het gestorte geld houden.

Kortom, de problemen van Vestia hadden niet te maken met het derivaat of met de geldstromen die veroorzaakt werden door dat derivaat. De problemen werden veroorzaakt doordat het derivaat nu zo’n enorme waarde had gekregen (2,5 miljard euro in het nadeel van Vestia), dat Vestia niet genoeg geld bijeen kon brengen om op die speciale rekening te storten. En die enorme waarde komt weer voornamelijk omdat de leningen en dus ook de derivaten zo’n lange looptijd hebben.

Hoe doen andere bedrijven dat dan?

Veel andere bedrijven hebben ook van die derivaten. Alleen die hebben niet zo’n CSA afgesloten, en hoeven dus niet bij te storten. Dan is er dus niets aan de hand, wat de bedrijven krijgen inkomsten binnen en betalen braaf hun vaste rente. Dat de derivaten nu zo’n enorme waarde hebben, maakt ze niks uit.

Is het afsluiten van zo’n CSA dan zo onverstandig? Op zich niet, want zoals eerder gezegd, kan dat ook in het voordeel van Vestia werken. En als zo’n bank dan failliet gaat, zegt iedereen: ‘Wat verstandig dat Vestia een CSA had afgesloten’, en ‘Wat dom van die andere bedrijven dat ze geen CSA hadden afgesloten, iedereen weet toch dat banken om kunnen vallen?’

Alternatieven

Het afsluiten van bepaalde risicovolle derivaten (genaamd ‘geschreven opties’) hadden ze waarschijnlijk beter niet kunnen doen.

Vestia had wellicht ook beter kunnen monitoren hoeveel geld er in kas was, en eerder anticiperen op het feit dat ze zo grandioos veel moesten bijstorten. Maar 2,5 miljard euro, dat heeft niemand zo maar even liggen.

Een ander alternatief is het afsluiten van leningen met een vaste rente. Dan heb je niet zo’n rentederivaat nodig om je rente vast te zetten, en hoef je dus ook geen onderpand bij te storten.

Een derde alternatief is om rentederivaten met een kortere looptijd af te sluiten. Dan zet je de rente vast voor bijvoorbeeld tien jaar, en sluit je na die tien jaar weer nieuwe rentederivaten af. Het voordeel is dat rentederivaten met een kortere looptijd niet zo’n ernome waarde kunnen ontwikkelen. Het nadeel is dat je geen idee hebt welke rente je over tien jaar zult moeten betalen.

Een vierde mogelijkheid is om niet z’n CSA af te sluiten. Maar dat zou betekenen dat je wel een (aanzienlijk) hogere rente moet betalen. Zo’n CSA fungeert namelijk als verzekering tegen faillisement, en als die ontbreekt, moet je dus meer gaat betalen.

Conclusie

Hoewel het er dus op lijkt dat Vestia niet vies was van risicovolle instrumenten, is het voornaamste probleem dat hun derivaten een zeer negatieve marktwaarde ontwikkelden door de huidige lage rente. Die negatieve waarde moest Vestia van de banken bijstorten, en daar hadden ze niet meteen de cash voor.

Appendix: hoe kan een rentederivaat zo’n grote waarde ontwikkelen?

Bij een rentederivaat spreek je af om vaste rente te betalen, en ontvang je variabele rente om de variabele rente op je lening mee te betalen. Netto betaal je dus alleen de afgesproken vaste rente. Stel dat je dit derivaat vier jaar geleden hebt afgesloten. Toen heeft de bank het percentage bepaald dat je moet betalen, zeg vier procent. Je hebt het contract afgesloten voor veertig jaar.

Stel dat je datzelfde contract nu zou afsluiten, zou je minder vaste rente hoeven te betalen, omdat de huidige rentestand zo laag is. Dus mocht je je rentederivaat willen verkopen (niet dat dat kan, maar dat maakt voor de waardering van het contract niet uit), dan zou dus geen hond het willen hebben. Tenzij je zwaar bijbetaalt (in het geval van Vestia dus 2,5 miljard euro). Vooral bij rentederivaten met een lange looptijd kan de waarde van zo’n contract heel erg variëren.

Maar maar maar maar… Vestia wil het rentederivaat helemaal niet verkopen! Maar goed, dat maakt voor de waardering dus niet uit. En als je een CSA hebt afgesloten, zul je moeten bijstorten. Op zich ook niet zo erg, want je krijgt er een mooie rente over. Maar je moet het wel hebben liggen. En dat Vestia geen 2,5 miljard euro op de plank heeft liggen, dat is niet zo raar.

Vroeger

‘Vroeger,’ zei hij, ‘maakten ze apparaten die gewoon eeuwig meegingen. Toen, in de jaren tachtig, begonnen ze expres kleine mankementen in te bouwen, zodat het ding na een paar jaar – liefst net na de garantietermijn – kapot zou gaan.’

Hij zuchtte.

‘Maar nu is het nog veel erger. De producenten hoeven helemaal geen mankementen meer in te bouwen. Mensen willen nu zelf om de paar jaar een nieuwe telefoon, een nieuwe tv, een nieuwe computer. Om de oren geslagen door de commercie, werken mensen zich het apenzuur om zich de nieuwe iPad te kunnen veroorloven.’

Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘De mensen zijn allemaal gek geworden.’

De Facebook-generatie

Zadie Smith heeft een opiniestuk geschreven over Facebook. Het verscheen in de New York Review of Books, en in vertaling in het NRC Handelsblad. Een opiniestuk, en daarom – zoals het hoort – af en toe behoorlijk kort door de bocht. Samengevat stelt ze twee dingen: (1) Facebook is gebaseerd op het armzalige leven van oprichter Mark Zuckerberg, en kent daarom nauwelijks diepgang; (2) Van een op een database gebaseerd systeem valt per definitie weinig diepgang te verwachten.

Ik ben het met beide punten oneens, en zal uitleggen waarom. Het eerste punt onderbouwt ze vooral met de inrichting van Facebook: “Zaken die je leuk kunt vinden zijn films, muziek, boeken en televisieprogramma’s, geen architectuur, ideeën of planten.” Dit is niet waar. Facebook biedt voldoende mogelijkheden om binnen je profiel en daarbuiten aan te geven welke filosofen je het liefste leest of welke gebouwen je het liefste bezoekt. Ze noemt nog een aantal andere voorbeelden van zaken op Facebook die ze typisch Zuckerbergiaans vindt (‘porren is wat nerds doen bij meisjes’), maar het is allemaal een beetje vergezocht.

Haar tweede stelling is interessanter: een ‘sociaal netwerk’ is niet te vatten in een database, en als je dat toch probeert, doe je jezelf tekort. Ik ben het met haar eens dat je af en toe iets meemaakt wat niet op Facebook te zetten is. Soms zie je een prachtige zonsondergang die je fotografeert met je mobieltje en dan op Facebook zet. En dan is het ineens minder spectaculair. Net als de reacties van je vrienden (meestal nul).

Maar als je op een andere manier met Facebook omgaat, wordt het ineens een stuk leuker. Namelijk als je mensen laat weten wat je aan het doen bent, op een luchtige manier. Soms kom ik iemand tegen die ik een half jaar niet gezien heb, maar dan kan ik toch vragen: ‘Goh, hoe gaat de verbouwing?’ En sommige mensen die ik niet zo goed ken, schrijven de leukste dingen en belevenissen op Facebook.

‘Daar zit ik niet op te wachten,’ zou een reactie kunnen zijn die ik me goed kan voorstellen. Maar ik zit daar wel op te wachten. En ik geniet af en toe van de scherpe observaties van mijn Facebookvrienden. Ook al staan die opgeslagen in een eenvoudige database.

De televisie: een recensie

Sinds driekwart jaar heb ik nu tv. Ik kreeg namelijk een mooie televisie, en ik kreeg internet via UPC. En UPC hield mij voor dat ik dan ook een televisie-abonnement bij ze moest afsluiten. Dit bleek later overigens niet waar, maar toen was het leed al geschied.

Ik had al zeven jaar geen televisie gehad en vond het dus wel leuk om het weer eens te proberen. Hiervoor keek ik ook wel programma’s, via uitzendinggemist.nl, maar dan had ik ze van tevoren geselecteerd op de computer. En zodra het saai werd, dan sloot ik het programma af en ging ik iets anders doen.

Niet zo met de televisie. Met de televisie ligt mijn ergenisgrens om de een of andere onverklaarbare reden veel hoger. Met andere woorden: ik blijf vaak naar pulp kijken. Als het echt te gortig wordt, dan zet ik ‘m niet uit. Nee, dan ga ik zappen.

Zo kan het dus gebeuren dat ik urenlang naar de televisie heb zitten turen, zonder dat ik echt gekeken heb. Tenminste, als je me de volgende dag zou vragen wat ik gezien had, dan zou ik eigenlijk niet weten.

Kortom: ik betaal 18 euro voor iets waar ik bijna nooit naar kijk. En als ik ernaar kijk, dan maakt het totaal geen indruk.

En daarom is het eindcijfer voor ‘de televisie': een 3.

Islamitische regels zijn zo gek nog niet

Hier in het westen hebben we vooral aandacht voor de uitwassen van het islamitische geloof. Meestal gaat het dan niet eens om werkelijk islamitische regels, maar om lokale culturele verschijnselen die zeker niet overal in de islamitische landen gangbaar zijn (zoals besnijdenis of het ombrengen van ongelovigen).

Hier in Nederland is Wilders vol van de islam als ‘agressieve’ godsdienst. Dat staaft hij bijvoorbeeld met het feit dat er relatief veel Marokkanen in de gevangenis zitten. Dat het hier ook om een cultureel verschijnsel zou kunnen gaan (hoeveel Indonesische moslims zitten er in Nederland in de gevangenis?), daar gaat hij aan voorbij.

Waar minder aandacht voor is, zijn de positieve bijverschijnselen van de regels van de islam. Zo mogen moslims niet drinken. Met oud en nieuw zijn het dan ook meestal geen moslims die problemen veroorzaken, maar gezonde Hollandse jongens en meisjes die ladderzat tegen de politie en ambulancepersoneel tekeer gaan.

En wat te denken van het aantal verkeersdoden en -gewonden, die jaarlijks voorkomen worden omdat moslims niet drinken? Hoeveel doden en gewonden er jaarlijks vallen door alcohol in het verkeer is niet precies bekend, maar het gaat om minstens 43 doden in 2007.

En moslims mogen ook niet gokken. Een gelovige moslim zal dus niet verslaafd aan gokken worden, en geen hulp nodig hebben om van die verslaving af te komen.

Maar beter nog: speculeren en risicovol beleggen worden ook gezien als gokken en zijn dus uit den boze.

Dus met islamitisch financieren geen kredietcrisis!