Gearresteerd

Na een half uur wachten kwam Avi, een vriend uit Israël, de ‘arrivals’-uitgang op Schiphol uit lopen. Hij begroette Marieke, die daar had staan wachten. Hij had nog geen guldens, dus hij nam wat geld op van de bank op Schiphol. Ze namen de trein naar Amsterdam Centraal, en stapten over op de tram. Hij betaalde de kaartjes voor hen beiden en ze gingen zitten.

Een paar haltes verder stapten er twee politieagenten de tram in. Ze liepen op Marieke en Avi af, en vroegen de twee uit te stappen. De tram was inmiddels op een halte gestopt, en had de deuren al open gezet.

Buiten werden Marieke en Avi in de boeien geslagen. Na een paar minuten kwam er een politieauto aangereden, en ze werden achterin geduwd.

Ze reden naar bureau Warmoesstraat, en werden ieder in een aparte cel gezet. Marieke vroeg waarom ze vastgezet was, en ze vroeg om een advocaat, maar ze kreeg geen antwoord.

Na ongeveer drie uur, het kan ook langer of korter zijn geweest, ging de celdeur open. Marieke en Avi kregen hun eigendommen terug. De agent was niet erg spraakzaam.

‘Waarom zijn we gearresteerd?’ vroeg Marieke, ‘en waarom mogen we nu gaan?’

Het leek of de agent liever geen antwoord wilde geven. Maar na enige aarzeling zei hij: ‘Jullie zijn gearresteerd omdat de tramconducteur dacht dat jullie hadden geprobeerd te betalen met vals geld. Maar na enige rondvraag blijkt dat sinds een paar dagen het vijfguldenbiljet is vervangen. Jullie hebben betaald met zo’n nieuw biljet. Fijne dag nog verder.’

(Dit verhaal is waargebeurd.)

Fictie: Rood licht

‘Gerrit! Kun je even komen?’

Gerrit stond op en liep naar het kantoor van Herman, zijn baas. Tijdens het lopen stopte hij zijn overhemd terug in zijn broek. Dat lukte aan de voorkant, aan de achterkant kon hij er niet goed bij.

‘Gerrit. Ik snap er niets van. Ik zit hier naar deze facturen te kijken, en naar het administratiesysteem. En iets lijkt er niet te kloppen. Het telt niet op.’

‘O,’ zei Gerrit. Hij liep om het bureau van Herman heen, om naar Herman zijn computerscherm te kunnen kijken.

‘Hier, een voorbeeld,’ Herman wees met een afgekloven balpen op een bedrag op het scherm, ‘dit is het totaal aan bestellingen van 24 oktober. Daar heb ik hier de orderbonnen en de facturen van.’

Hij sloeg hard op een map, Gerrit schrok ervan. Die map kende Gerrit maar al te goed. Dat was de map waar hij altijd alle orderbonnen en facturen in deed.

Herman vertelde dat hij alle bedragen op de facturen bij elkaar op had geteld. En dat hij dat had vergeleken met het bedrag dat er in de administratie stond. En dat hij dan niet op het totaal kwam. En dat hij toen naar de orderbonnen had gekeken. En… En… En…

De blik van Gerrit dreef af naar buiten, naar de grijsgrauwe lucht die als een chronische depressie boven het kantoorpark hing. De stem van Herman hoorde hij nog wel, maar hij luisterde niet meer. Hij wou dat hij de stem kon doen ophouden, zoals je zou willen dat de wasmachine van de bovenburen zou ophouden. Maar het dreinde door. Was het centrifugeren al begonnen?

 *

 Ongeveer een half jaar eerder had Gerrit een methode ontdekt. Of liever: had de accountant een methode ontdekt.

‘Gerrit,’ had de accountant gezegd, ‘hier word ik niet zo vrolijk van. Want stel dat jij fraude pleegt? Stel dat jij bijvoorbeeld orderbonnen uitdraait, en de betaling op jouw rekening laat bijschrijven. Is er dan iemand die dat controleert?’

Nee, dacht Gerrit.

‘Ja,’ zei Gerrit, ‘Herman controleert wekelijks of alle betalingen kloppen.’

‘Hm,’ zei de accountant. Gerrit had er daarna niets meer van gehoord.

Uit nieuwsgierigheid had hij geprobeerd of het inderdaad kon. Eerst had hij honderd euro te veel laten overboeken naar de rekening van een klant. Als dat werd ontdekt, kon hij altijd nog zeggen dat het een foutje was.

Het was niemand opgevallen. Twee weken later nog steeds niet. Twee maanden later nog steeds niet. En toen hij erover na ging denken, was er inderdaad geen manier waarop iemand, behalve hijzelf, er ooit achter kon komen.

 *

De eerste keer durfde hij het pas ’s avonds te doen, nadat iedereen naar huis was. Herman had tot laat in zijn kantoortje gezeten, en was verbaasd om Gerrit nog druk aan het werk te zien.

‘Kan dat niet morgen?’ had Herman gevraagd. Gerrit had iets gemompeld over liever vandaag afmaken, morgen veel andere dingen. Herman had zijn schouders opgehaald en was de lift in gestapt.

Normaal ging hij altijd als een van de eersten naar huis. De geluiden in het lege kantoor waren nieuw voor hem. De tl-verlichting, kalm zoemend boven zijn hoofd. De koffieautomaat, zichzelf pruttelend aan het reinigen. Een vrachtwagen, ergens ver weg aan het toeteren.

Hij opende het factuurprogramma, en maakte een nieuwe factuur aan. Trillend pakte hij zijn agenda uit zijn tas, en tikte het rekeningnummer over dat daar stond. Hij was er speciaal voor naar de Kamer van Koophandel gegaan, om een bedrijf op te richten met een plausibele naam. Hij printte de factuur en de orderbon uit. Twee keer: voor in de map en voor naar de klant.

Stom, dacht hij, er gaat natuurlijk helemaal geen factuur naar de klant. Zonde van het papier. Hij grinnikte in zichzelf: hij was duizenden euro’s naar zichzelf aan het overmaken, en hij maakte zich druk om twee A4’tjes.

De factuur en de bon voor de klant gingen bij het oud papier. De andere factuur en bon deed hij in de map. Hij klikte de order door. Het ging eigenlijk nog makkelijker dan hij had gedacht. Hij sloot zijn pc af, pakte zijn spullen bij elkaar en nam de lift naar beneden.

Het was een heldere lentedag. Hij stapte naar buiten. Een groter contrast met de bedompte kantoorlucht binnen was niet mogelijk. Hij ademde diep in, en met zijn longen vulde ook zijn hoofd zich met een heerlijk soort vrijheid.

Zo voelde het dus, om een fraudeur te zijn. Fraudeur. Hij zei het woord een paar keer hardop. Het klonk wel mooi. Beter dan ‘burgerman’. Gerrit, de fraudeur. Gerrit, per vandaag officieel burgerman-af. Per vandaag was hij lid van dat illustere gezelschap dat dagelijks de kranten vulde. Silvio Berlusconi. Bernard Madoff. Lance Armstrong. Gerrit van de Gelder.

Van tevoren had hij gedacht dat hij zich schuldig zou voelen. Maar hij liep opgewekt naar huis, lichter dan ooit. Alsof niemand hem meer iets kon maken. Of Herman wel tevreden met hem was, kon hem ineens een stuk minder schelen. Of zijn collega’s hem wel mochten, kon hem ineens een stuk minder schelen. Of zijn vrienden hem wel een geschikte vent vonden, kon hem ineens een stuk minder schelen.

Het voetgangerslicht stond op rood. Er kwam niets aan. Dus hij liep gewoon door. Het kon hem niets meer schelen.

Dit verhaal is op23 oktober geschreven, tijdens de tweede sessie van Shut Up & Write Amsterdam, in café De Jaren.

Fictie: Ziekenbezoek

Ik had besloten hem op te zoeken in het ziekenhuis. Ik kocht een bosje bloemen en een fles whisky. Ik goot de whisky over in een pak appelsap, dat ik met plakband goed dichtmaakte. Ik vermoedde dat het ziekenhuispersoneel alcoholconsumptie door patiënten niet erg op prijs zou stellen. Ik had een kamernummer doorgekregen – F8-23, waarbij F waarschijnlijk de vleugel was, 8 de verdieping en 23 het kamernummer. Dat bleek inderdaad het geval.

Ik liep door de lange gang van de achtste verdieping van de F-vleugel en rook de zware, medicinale ziekenhuislucht die me herinnerde aan mijn korte ziekbed, twee jaar geleden. Ik was door de brandweer uit een gracht gevist, onderkoeld en straalbezopen. Ik was een vriend van me aan het zoeken, ik wist zeker dat hij van de brug was afgesprongen. Ik moest hem redden, en pas toen mijn krachten het begonnen te begeven, zwom ik naar een woonboot. Daar trokken twee brandweermannen me aan mijn armen uit het water.

Terwijl ik werd afgevoerd in de ambulance, zochten de duikers van de brandweer door naar de vriend – die, zo ik later begreep, al uren eerder naar huis was gegaan. Op het moment dat vier duikers met grote zaklampen door het troebele water schenen, lag hij lekker in zijn bed.

Na de rit in de ambulance werd ik ontvangen door twee vriendelijke verpleegsters. Tl-licht, mij onbekende medische apparatuur en de vriendelijke verpleegsters en zorgden ervoor dat ik binnen een mum van tijd weer sober was. Wel voelde ik me nog wat licht in het hoofd. Het was inmiddels alweer ochtend, en ik moest mijn werk bellen dat ik ziek was. Ik ging niet vertellen hoe dat precies gekomen was, en dat hoeft wettelijk gezien ook helemaal niet. Dat telefoongesprek ging goed, de dame van personeelszaken vroeg gelukkig niet door. Vlak voordat ik ophing, verloor ik het bewustzijn. Geen betere plek om dat te doen, dan in een ziekenhuis – ik werd wakker op de grond, omringd door drie verpleegsters. Na een dag mocht ik weer naar huis, en m’n baas heeft er nooit van geweten.

Ik was inmiddels aanbeland bij kamer 23. Ik keek om de hoek – daar lag Johan. Hij leek in slaap, dus ik wist even niet wat te doen. Moest ik hem wakker maken? Mocht dat wel, in zijn toestand? Ik wilde me net omdraaien om een verpleger om raad te gaan vragen, toen ik achter me iemand horde grommen. Opgelucht liep ik op hem af.

‘Johan! Je bent wakker.’

‘Ik was een beetje aan het wegdutten. Goed dat je er bent.’

Hij zag er moe uit. Ze hadden een long weggehaald, vertelde hij, een zware operatie. Hij lag hier al een week, en er waren drie mensen op bezoek geweest: zijn dochter, een buurman en een verre neef. En nu ik dan, de vierde. Ik legde uit dat ik in Parijs zat, dat ik onmogelijk weg kon daar, dat ik was gekomen zodra ik kon. Hij wuifde mijn excuses weg.

‘Je hoeft je toch niet te verontschuldigen. Ik ben blij dat je er bent. En je hebt nog iets meegenomen, zie ik?’

Ik gaf hem de bos bloemen en het pak appelsap.

‘Bloemen en appelsap. Dank je wel. Van bloemen wordt een mens vrolijk.’

‘Van deze appelsap ook,’ zei ik.

Hij lachte: ‘Mijn favoriet? Maak open!’

Ik pulkte het plakband van het pak appelsap, en net toen ik wat wilde inschenken in de witte plastic bekertjes, kwam er een verpleger de kamer binnen.

‘Meneer De Vries, u heeft bezoek, wat leuk! Hoe gaat het nu?’

Johan gromde wat, de verpleger wierp een samenzweerderige blik naar me, en liep de kamer weer uit. Ik schonk alsnog in en we toastten op de goede afloop.

‘Weet je,’ zei Johan, ‘we zijn eigenlijk te jong voor whisky. Het brandt door je keelgat, je wordt er op een vreemde manier dronken van. Maar toch – wat een goddelijke drank.’

Ik knikte. Je had een geweldig uitzicht vanaf de achtste verdieping. De zon zakte weg achter de stad, vliegtuigstrepen lichtten hels oranje op, kriskras over de donkerblauwe hemel. Een vlucht spreeuwen zwierde heen en weer boven het park, om uiteindelijk neer te zijgen in de bomen. De eerste sterren verschenen, als verkenners, wetend dat ze snel versterking zouden krijgen van miljoenen collega’s.

Johan zuchtte. ‘Ik weet dat ik geen allemansvriend ben. En nu ik hier zo zit, met jou, een beetje naar buiten te staren, nu mis ik het ook niet. Er lag hier een oudere man uit India, die continu bezoek had: familie, vrienden, verre familie, vage vrienden. Tientallen mensen tegelijk, achter elkaar. Hij werd er zelf ongelukkig van. Ik ook trouwens, ik heb gevraagd of ik op een andere kamer mocht gaan liggen.’

’Sommige mensen hebben weinig anderen nodig,’ zei ik. ‘Die mensen zijn de kluizenaars van nu.’

Hij knikte en we keken naar buiten. Niet veel later stond ik op, nam afscheid en liep weer terug door de gangen van vleugel F.

Eenmaal buiten zoog ik me vol met de frisse, herfstige lucht van kou en bladeren. Ik liep naar huis, en kwam onderweg langs de gracht waar ik toen, twee jaar geleden, ingesprongen was. Deze keer had ik geen enkele behoefte om het ijskoude water in te springen. De volgende keer dat ik weer in een ziekenhuis zou liggen, dan liever om een goede reden. En dan op de achtste etage, met een goede fles whisky. En liefst alleen.

Dit verhaal is op 9 oktober geschreven, tijdens de eerste sessie van Shut Up & Write Amsterdam, in café De Jaren.

 

De koe

(Ben de kamer aan het opruimen. Kwam m’n dagboek tegen van toen ik zeven was. Hieronder een verhaal uit dat dagboek).

Er was eens een arme boer. Die was erg boos op de burgemeester, want die had beloofd om armen te helpen. Maar dat deed ‘ie niet (tenminste, niet voor de boer!). Dus daarom was die zo kwaad, dat ie zijn enige huis ging slopen! De burgemeester had nog gezegd dat de boer té arm was, maar toen was ‘ie al de stad uit. De boer had ook een koe, die toveren kon. Maar dat wist de boer niet. Dus daarom bleef ‘ie zo arm.

Maar op een dag zei de boer voor de lol: ‘Hoe staat het met je maag?’

Toen zei de koe: ‘Boe, boe’, wat de boer had verwacht. Maar het ging nog verder: ‘Boe, het gaat niet zo goed. Zullen we hier even stoppen? Voor een hapje?’

‘Goed,’ was het antwoord. En de boer mompelde: ‘Dit is een, dit is een… Een droom!’

Toen zei de koe tegen de boer: ‘Dit is geen droom, dit is echt! Ik kan geld toveren en van álles!’

En toen was de boer weer rijk!

Geen feest voor Edgar

‘NEE,’ ZEI MICHIEL. ‘IK DOE HET NIET’.

‘We worden beroemd,’ zei ik. ‘En er kan niets gebeuren. Dit is zó YouTube-worthy, écht!’

Hij keek naar de trap. Hij keek naar mij. Hij keek weer naar de trap.

‘Fok jou!’ zei hij, ‘ik film wel. Doe jij het lekker zelf. Word jij toch lekker beroemd’.

‘Maar ik kan beter filmen dan jij,’ probeerde ik nog.

‘Ik ga het niet doen,’ zei hij beslist, ‘dus of jij doet het, of we doen het niet’.

Dat vond ik zonde. We hadden niet voor niks die enorme houten klomp mee lopen zeulen van de Dam naar hier. We hadden geluk dat we de fotocamera bij ons hadden. Zo’n kans kregen we nooit meer.

‘Oké, ik doe het,’ zei ik, en ik gaf de camera aan Michiel, ‘er kan niks gebeuren’.

Ik ging in de klomp zitten.

‘Waar moet ik gaan staan?’ vroeg hij.

‘Als je beneden staat, ziet het er heftiger uit’.

Michiel huppelde de veertig treden af. Het viel me op dat hij zo vrolijk aan het huppelen was. Terwijl zijn grote vriend op het punt stond om zich in een enorme klomp naar beneden te storten. En daarbij mogelijkerwijs het leven te laten. Michiel is een slechte vriend, concludeerde ik.

‘Ja,’ riep Michiel, ‘ik ben er klaar voor’.

Hij zag mijn aarzeling.

‘Er kan niets gebeuren!’ schreeuwde hij. ‘Dat zei je net zelf’.

Ja, dacht ik, dat zei ik net zelf. Maar dat was toen jij zou gaan. Dat was de afspraak toen we de klomp meenamen. Dat jij zou gaan. En nu ben jij aan het hazen, jij vieze vuile rat.

‘Je wordt beroemd!’ riep Michiel. ‘Hup, afzetten en gaan. Niet nadenken!’

Niet nadenken. Goed advies. Niet nadenken, gewoon gaan. Gewoon eventjes naar beneden glijden en beroemd worden. Ik word fokking famous.

Ik stapte uit de klomp, en schoof deze naar de rand. Ging er weer in zitten. Pakte de reling. Trok. Begon te schuiven. Schoof hard en scheef. Verder weet ik het even niet meer.

—————————————

Ik opende m’n ogen, maar zag niets. Wazig licht. Ik rook groene zeep en bejaarden: ziekenhuis. Langzaam schoven de lijnen in elkaar, en uit elkaar, en in elkaar. Maar voordat ik hem kon zien, hoorde ik Vincent praten.

‘Edgar!’

‘Hmrmbl,’ zei ik.

‘Edgar! Ben je wakker?’

‘Hmrmbl’, herhaalde ik.

‘Hé Edgar, wat denk je’ Fokking vijfduizend views op YouTube!’

Vette shit, dacht ik. Vijfduizend views. Ik ben famous.

Ik ben fokking famous.

 

Korte metten

MIDDEN IN DE NACHT WERD HIJ WAKKER. Hij lag met wijdopen ogen de duisternis in te staren. Laura lag naast hem, nog diep in slaap. Hij hoorde haar regelmatige ademhaling, verder niets. Hij deed z’n ogen weer dicht en ging op z’n zij liggen.

Toen hoorde hij een geluid. Hij zat meteen rechtop in z’n bed. Dit was ook het geluid dat hem gewekt had, nu wist hij het zeker. Het kwam uit de keuken. Hij zocht op de tast het lichtknopje. Of nee, beter niet het licht aandoen. Je weet maar nooit.

Zachtjes stapte hij uit bed – voorzichtig – om Laura niet te wekken. En om de indringer, of wat het ook was in de keuken, niet te alarmeren. Hij sloop naar de deur, zachtjes op een kier, richting keuken gluren.

Niets. Hij zag niets. En toch… daar was het geluid weer! En toch echt í­n de keuken, daar was geen twijfel over mogelijk. Hij opende de deur en liep naar de keuken. De planken kraakten en het geluid hield op.

Hij bleef staan op de drempel van de keuken, doodstil. Tien seconden, twintig seconden gingen geruisloos voobij. En toen, onmiskenbaar, gescharrel. In de vuilnisbak.

‘Potverdorie,’ dacht hij, ‘muizen!’

De muizen hadden een gat geknaagd in het deksel van de vuilnisbak, hij zag het duidelijk, halfrond met muizentandjes. De muisjes wisten niet zeker of ze nou moesten vluchten, of stilzitten, of gewoon lekker doorgaan met waar ze mee bezig waren. Soms was het stil, soms ritselde het.

Toen kreeg hij een lumineus idee. Die muizen waren hem al wekenlang een doorn in het oog. Soms vergat hij per ongeluk de keuken op te ruimen, met als gevolg aangevreten brood en muizenkeutels in de pannen met etensresten. Of eigenlijk vergat hij dat best wel vaak. Nu was het moment van vergelding daar. Zijn wraak zou o zo zoet zijn.

Rustig liep hij naar het gootsteenkastje. De muizen scharrelden wat heen en weer, maar ze waren niet van plan om de vuilnisbak te verlaten. Mooi. Twee flessen pakte hij, allesreiniger en bleekmiddel. Eerst maar de chloor, dat was het smerigste. De mond van de fles paste precies op het knaaggat. De vloeistof gutste de vuilnisbak in, klok klok klok.

Het gescharrel nam toe. Om er zeker van te zijn dat de muizen niet zouden vluchten, maakte hij met z’n andere hand alvast de fles allesreiniger open. Zodra de fles chloor leeg was, wisselde hij de fles met de allesreiniger.

Deze fles paste nog beter op het gat. Hij schroefde de fles vast. Het gescharrel in de vuilnisbak nam nu paniekerige vormen aan. Hij schatte dat er ongeveer vijf muizen voor hun leven vochten daarbinnen. Een vreemd gevoel kwam over hem, een mengeling van verrukkelijk sadisme, triomf en van walging.

Hij rook een vreemde geur en besefte dat het chloorgas dat hij zo inventief had lopen mengen ook niet geheel ongevaarlijk voor mensen was. Hij opende het keukenraam en ademde de koele nachtlucht in.

Het geritsel werd al minder. Hij liep weer terug naar de slaapkamer: nu had het toch geen zin om in de weer te gaan met chloorgas en muizenlijkjes. Morgen zou het gas vervlogen zijn, en zou hij de troep opruimen.

Hij stapte weer in bed. Nu werd Laura wel een beetje wakker.

‘Wat is er?’ vroeg ze slaperig.

‘Niets, niets lieverd. Welterusten.’

Laura mompelde wat en sliep weer verder. Ook hij doezelde snel in slaap, om pas de volgende morgen te worden gewekt door een ijzingwekkend gegil.

Guns Are Good For You

Hij had een eng boek gelezen voordat hij ging slapen. Dat had hij niet moeten doen. Ieder geluidje leek nu een monster, of een eng dier, of een moordenaar. Waarom moest zijn vader ook altijd ’s avonds werken? Het donkere bos naast het huis ritselde wild en fluisterde zijn gruwelijke geheimen.

Nu wist hij zeker dat hij iets hoorde. Gemorrel bij het raam beneden, en hij dacht zelfs dat hij iemand hoorde mompelen. Hij stapte uit bed, en probeerde zonder te kraken over de houten vloer te lopen, naar het raam. Maar hij kon niet zien wat er beneden gebeurde, en hij durfde het raam niet open te doen.

Een zondagmiddag, drie maanden geleden. Gerrit en hij waren in de studeerkamer van vader aan het spelen. Ze wisten dat het eigenlijk niet mocht, maar vader was er weer eens niet en er lagen machtig mooie dingen om mee te spelen. Een oude schrijfmachine, een vergrootglas, sigaren. Het waren magische zaken, hij durfde ze nauwelijks aan te raken. Gerrit had daar minder moeite mee.

“Hans, moet je kijken!” riep hij uit, telkens als hij iets moois tegenkwam: een boek over geweren, een oude rekenmachine, een fles whisky. Die fles maakte hij open en hij nam er een stevige teug van.

“Jij ook?”

Hans schudde van nee, hij wou dat Gerrit voorzichtiger met de spullen was. Zo zou zijn vader zeker merken dat ze in zijn studeerkamer waren geweest.

“Moet je eens kijken, een sleutel!” Gerrit hield triomfantelijk een sleuteltje omhoog, dat hij in een bureaula had gevonden.

“Leg alsjeblieft terug!” zei Hans.

“Neuh! Nou wil ik weten waar het van is ook!” Gerrit probeerde de kast in de hoek van de kamer open te maken. Dat lukte. Het deurtje zwaaide open. De jongens keken ademloos naar de verzameling geweren die daar uitgestald stond. Prachtig gepoetste, blinkende geweren. Ze roken naar hout, staal en kruit.

“Dat zijn m’n vaders geweren,” zei Hans zacht.

“Is jouw vader jager?” vroeg Gerrit vol bewondering. Hij pakte een geweer uit de kast, aaide het en zette het tegen zijn schouder. Toen draaide hij naar Hans.

“Boem!”

“Pas op!” riep Hans, “straks is ‘ie geladen, gek!”

Maar Gerrit vond het alleen maar een goede grap. Hans kon de verleiding niet langer weerstaan en pakte ook een geweer uit de kast, een dubbelloops. Hij klapte het open, zoals hij zijn vader wel eens had zien doen. Er zaten geen kogels in, zag hij. Hij sloot het geweer en ging op de grond liggen. Mikte op Gerrit, spande de haan en haalde de trekker over. Klik.

Op dat moment hoorden ze de deur beneden openzwaaien. Vader! Snel zetten ze de geweren terug in de kast, deden de kast dicht en op slot, gooiden de sleutel terug in de la en renden de kamer uit.

Vader kwam de trap op. “Zo jongens. Braaf aan het spelen?” Hans knikte. Gerrit kon natuurlijk zijn lachen weer niet houden, maar vader was wel wat gewend van Gerrit en lette er niet op.

Dat was drie maanden geleden. Hans durfde het raam niet open te doen, maar inmiddels wist hij dat hij niet aan het dromen was. Er waren inbrekers beneden. Hij liep naar de studeerkamer, en pakte een geweer uit de kast in de hoek. Er lag ook een zakje munitie, maar die leek niet bij dit geweer te horen. Dan zo maar.

Hij sloop de trap af en stelde zich op in de gang. Hij stond er net, toen de deur luid krakend bezweek.

“Zo we zijn binnen. Nu kijken… Wat…!”

Hans stond oog in oog met een grote kerel, die hij vaag kende uit het dorp. Hans hield het geweer strak op de man gericht.

“Ferry, het is die kleine.”

“Ja en?” zei de man die kennelijk Ferry heette, “laten we ons daar door weerhouden?”

“Eh, nou, die kleine staat hier met een doorgeladen geweer van z’n pa.”

Er viel een krachtterm. De grote man liep achteruit het huis uit. Hans schopte de deur dicht en ging in de gang zitten, trillend.

Toen zijn vader twee uur later thuiskwam, keek ook hij bij binnenkomst in de loop van een geweer. Vader schrok, werd boos, maar toen hij het hele verhaal hoorde, was hij stiekem wel blij dat de jongens zijn geweren ontdekt hadden.

Hij beloofde Hans dat ze de volgende dag zouden gaan jagen. En kon een brede grijns niet onderdrukken.

2.589.476.977

Het oude mannetje zat knikkebollend op de stoep voor zijn huis. Het was een warme, zonnige dag, iets verderop waren kinderen aan het voetballen. Een moeder kwam naar buiten, met koude limonade. Er lag een glinsterende spiegel over het asfalt, vanaf waar de oude man zat, leek het of de kinderen in gesmolten zilver aan het spelen waren.

Op dat moment hield zijn hart op te kloppen. Zeventig jaar lang had het gewerkt, dag en nacht, zeventig keer per minuut, 4200 keer per uur, 37 miljoen keer per jaar. En die zondagmiddag was het genoeg geweest. De man zakte voorover en viel hard met zijn hoofd op straat.

Er was niemand die het zag. De man bleef zo liggen, de kinderen waren stil hun limonade aan het drinken. Ze zagen wel iemand liggen in de verte, maar stonden er niet bij stil dat daar zojuist een veelbewogen leven ten einde was gekomen.

55 jaar geleden was hij bij de marine gegaan, voor het avontuur en omdat zijn ouders vonden dat hij wel wat discipline kon gebruiken. De hele wereld had hij afgereisd, en in havens op alle continenten had hij gedronken, gefeest, gezongen. Hij had klappen uitgedeeld en klappen geïncasseerd. Hij had reprimandes gegeven aan ondergeschikten als ze te laat op het appèl kwamen, hij had reprimandes gekregen als hij weer eens midden in de nacht dronken brallend over het dek zwalkte.

Het was een mooie, onbezorgde tijd geweest. Erg rustig: de Koude Oorlog woedde, maar daardoor hoefde er nauwelijks echt gewerkt te worden. Ze legden de schepen op tactische plekken, ze voeren naar betwiste zeestraten, af en toe enterden ze een piratenschip voor de Filipijnse kust.

Na vijftien jaar bij de marine had hij het wel gezien. Hij ging bij zijn vrouw wonen waar hij op z’n twintigste mee getrouwd was. Ze hadden intens van elkaar gehouden tijdens zijn marine-tijd, tien jaar lang, maar samen in een huis bleek niet te werken en het huwelijk werd een jaar later ontbonden.

Hij begon een winkel in tuinmeubelen, investeerde alles in de zaak: zijn tijd, zijn geld, zijn passie. Na een paar jaar kon hij uitbreiden, en al snel had hij vijf winkels in verschillende steden. Het voelde als een imperium, en een imperium moet je delen met een koningin. Die had hij snel gevonden, Elisa, ze waren getrouwd, ze zaten totaal niet op dezelfde golflengte maar ze tolereerden elkaar.

Vijf jaar geleden was ze overleden na een langdurig ziekbed. Hij heeft haar niet gemist. Wel miste hij na haar dood de motivatie om nog leiding te geven aan Jan Klop Tuinmeubels. Hij had de zaak overgedragen aan zijn stiefzoon, de zoon van Elisa, een capabele jongen die marketing had gestudeerd in Groningen en ‘niets liever deed dan de tuinmeubelzaak van Jan voortzetten en liefst ook nog uitbreiden’. Prima jongen dus.

De laatste vijf jaar van zijn leven had hij zitten peinzen. Wat had hij nou werkelijk gedaan in zijn leven? Liet hij de wereld een beetje beter achter dan hij deze had aangetroffen? Was hij gelukkig geweest?

Dergelijke vragen hadden aan hem zitten knagen. Meer dan hem lief was. Hij probeerde er niet te veel aan te denken, en te genieten van zijn welverdiende rust. Maar dat ongemakkelijke gevoel ging niet weg. Had hij wel de juiste keuzes gemaakt? Waren zijn vrienden wel echte vrienden geweest? Of waren het eigenlijk meer kennissen? Waarom had hij nooit even stilgestaan, om even rustig naar zijn leven te kijken? Waarom had hij altijd maar doorgejaagd?

Hij vond het zeer onprettig om over dergelijke dingen na te moeten denken. Maar die zondagmidddag had hij daar niet over zitten piekeren. Vlak voordat hij op straat viel, was hij nog een keer naar dat café in Surabaya gegaan, als jonge knul van achttien, waar de meisjes hem en zijn vrienden probeerden hem bier te verkopen, en af en toe, als ze in een ondeugende bui waren, bij hem op schoot kwamen zitten.

Er was daar één meisje, Neneng, daar was hij verliefd op geweest. Neneng, verfijnd, met spottende en toch lieven oogopslag, een mysterie. Daar had hij dagen mee doorgebracht, ze hadden door de stad gewandeld en waren naar de film gegaan. De doorgaans nogal doortastende Jan was gesmolten voor dat meisje, en liep als een verliefde puber naast haar, af en toe stiekem een verliefde blik op haar werpend. Voelde zij nou ook werkelijk iets voor hem of was het allemaal geveinsd? Deze Javaanse was ondoorgrondelijk.

Hij had haar wel willen trouwen, en haar meenemen naar Nederland. Maar als hij iets dergelijks opperde, lachte ze haar sprankelende lach en maakte een gebaar wat niets anders kon betekenen dan ‘wat ben je toch een grapjas’. Dus hij had haar daar achtergelaten. Wat zou er van haar geworden zijn, dacht hij half-dromend, in de zon voor zijn huis.

De bal rolde door de straat en twee kinderen renden erachteraan, elkaar aan de shirtjes trekkend.

“Ik heb hem lekker toch eerder!”

“Nietes!”

“Toch wel.”

Toen was het even stil.

“Hee, die opa ligt op straat. Zou ‘ie ziek zijn?”

“Mamma, kom es!”

Mamma kwam en belde de ambulance, die acht minuten en zes seconden later ter plaatse was. Maar het ambulancepersoneel kon niets meer doen. Het hart van Jan had 2.589.476.977 keer geklopt.

Het was nu wel genoeg geweest.

Maktoem

De zesdeurs geblindeerde Mercedes kwam langzaam naast me tot stilstand. Het raampje van de chauffeur schoof naar beneden. In gebroken Engels vroeg de man achter het stuur: “Sorry meneer, weet u waar Bloemendaal is?”

Ik wilde net gaan uitleggen hoe je moest rijden om in Bloemendaal te geraken, toen de chauffeur zei: “Meneer, u weet waar het is? Zoudt u het erg vinden met ons mee te rijden en de weg te wijzen? Vijfhonderd dollar genoeg? U wordt thuisgebracht.”

Ik moest eigenlijk een tentamen leren, maar tegen vijfhonderd dollar en een ritje in een gigantische, geblindeerde Mercedes zei ik geen nee. Bovendien was het lekker weer: een mooie dag om naar Bloemendaal te gaan.

De chauffeur gebaarde me om naast hem te komen zitten. Ik stapte in en wees hem de weg. Ik vroeg hem hoe het rijden in Amsterdam hem beviel, met alle bruggetjes. Zo’n lange auto heeft het niet makkelijk. Hij gaf toe al aardig gedwaald te hebben, en meer dan een keer achteruit een straat uit gereden te zijn.

Ik wilde net vragen van wie de auto was, toen het geblindeerde schotje achter ons naar beneden zoemde. Ik keek om: daar zat een man in een wit gewaad.

“Een inboorling (‘local’), prachtig,” zei de man met de tulband, “jij gaat ons de weg wijzen?”

Dat beaamde ik.

“Ik ben Sjeik Maktoem bin Rasjid Al Maktoem, hoe heet jij?”

“David,” zei ik.

“Een fraaie joodse naam. Vind je het heel erg als ik je Dahoed noem?”

“Nou ja, wat is er mis met gewoon David?”

“Vooruit, David dan. Vertel eens, hoe is het om in Amsterdam te wonen? Veel drugs zeker?”

Ik vertelde hem dat dat wel meeviel. Hij leek aangenaam verrast: “Dus niet iedereen is hier de hele tijd aan het drugs roken en zo? Ecstacy?”

Hij vertelde dat hij uit Doebai kwam, waar hij een oliebedrijfje bezat. Hij was nu in Amsterdam op vakantie, en voor wat besprekingen met mensen van oliebedrijven. In Bloemendaal had hij een diner met directieleden van een grote Nederlandse oliehandelaar. Als ik zin had om een hapje mee te eten, was ik van harte welkom.

Dat liet ik me geen twee keer zeggen, en een uur later zat ik met Maktoem en een paar hoge piefen van het oliebedrijf te dineren. Maktoem dronk geen alcohol, maar de directieleden dronken voor twee. Maktoem introduceerde me als zijn zaakwaarnemer in Europa, en de heren van het oliebedrijf deden ineens héél vriendelijk tegen me. Volgens mij heb ik er nog wel wat goede deals uitgesleept voor Maktoem. Ze maakten zich wat zorgen over de resterende olievoorraad in Doebai, maar ik kon ze geruststellen.

Laat op de avond reed hij weer terug naar Amsterdam, hij deed een beetje geheimzinnig maar ik had het idee of hij naar de een of andere dure nachtclub ging, vast met heel veel mooie vrouwen. Maar eerst werd ik thuis afgezet, en hoewel het voor mij niet had gehoeven, stond hij erop me duizend dollar te betalen voor het wijzen van de weg. En als ik in Doebai was, moest ik het even laten weten, dan was ik van harte welkom in een van zijn zes villa’s.

Als ik later groot ben, wil ik ook oliesjeik worden.

In de trein

Trein van Amsterdam CS naar Utrecht, oktobermiddag. Een wat oudere, treurig kijkende vrouw zit aan de andere kant van het gangpad naar buiten te turen.

Een jongen, ongeveer van mijn leeftijd, komt de coupé binnen en gaat tegenover de vrouw zitten. Ze kijkt hem even aan en zucht diep. De jongen glimlacht beleefd, wat zij opvat als een uitnodigiging om een babbeltje te beginnen.

“Het is raar om in de trein te zitten,” zegt ze.

De jongen weet duidelijk niet goed wat hij met die mededeling moet. “O, hoezo?”

“Tja, ik weet niet of ik dat… Nou ja weet je, mijn man is… was, moet ik zeggen, vrachtwagenchauffeur. Gisteren kwam hij vast te staan op een overweg en is hij aangereden door een trein.”

De jongen voelt zich nu zeer ongemakkelijk. “Gecondoleerd,” stamelt hij. “Dat u vandaag alweer met de trein gaat.”

“Je mag jij zeggen hoor.” Ze glimlacht even. “Ik moet wel met de trein: ik heb geen rijbewijs. Vandaag ga ik naar m’n schoonfamilie, wat zaken regelen voor de begrafenis.”

“Ja, dat soort praktische dingen moet natuurlijk ook gebeuren.”

“Het is wel raar, dat hij er nu niet meer is. Ik bedoel, hij was vrachtwagenchauffeur, dus hij was nooit lang thuis. Maar toch… Hij belde iedere avond. Hij zal vast wel eens in een andere stad, met een ander meisje… Misschien wel. Maar daar denk ik liever niet aan.” Ze was even stil, diep in gedachten. Toen keek ze vragend op. “Stel nou hè, dat ‘ie inderdaad een ander meisje… Hoe komt zij het dan te weten, dat ‘ie dood is?”

De jongen wist het ook niet. Op dat moment begon zijn mobiele telefoon te zoemen. Hij maakte een verontschuldigend gebaar en nam op, zichtbaar opgelucht over de onderbreking. “Met Vincent… Frits, jongen, ik zit in de trein… Nee hoor geen probleem, nee ik kan gewoon praten… Ja… Nee… Dat is dus geregeld. Hee en hoe ging je tentamen? O je moet ervandoor. Is Hugo daar ook? Kun je hem even vragen of hij me belt, ik moest hem nog even spreken. Ja dank je! Mazzels!” Hij hing op.

“Vincent?” vroeg de vrouw, “ik heet Marijke. Aangenaam!”

“Ja, aangenaam,” antwoordde Vincent. Op dat moment begon zijn telefoon weer te zoemen. “Hugo, kerel, alles wel?” Vincent deed er alles aan om het gesprek zo lang mogelijk te laten duren. Ondertussen keek de vrouw naar buiten.

Toen we Amsterdam Amstel naderden, stond Vincent al bellend op en liep naar de treindeur. Ik dacht even dat Marijke met mij wilde gaan praten, maar toen draaide ze zich weer naar het raam.

Halverwege de reis stonden we nog even stil ‘wegens een aanrijding bij Utrecht’. Ik zag haar slikken maar ze hield zich groot.

Toen we een half uur later in Utrecht waren aangekomen, stapten we allebei uit en liepen naar de roltrap. Vanuit m’n ooghoeken zag ik een jongen wegduiken, maar ik had al gezien wie het was.

Vincent.