Gearresteerd

Na een half uur wachten kwam Avi, een vriend uit Israël, de ‘arrivals’-uitgang op Schiphol uit lopen. Hij begroette Marieke, die daar had staan wachten. Hij had nog geen guldens, dus hij nam wat geld op van de bank op Schiphol. Ze namen de trein naar Amsterdam Centraal, en stapten over op de tram. Hij betaalde de kaartjes voor hen beiden en ze gingen zitten.

Een paar haltes verder stapten er twee politieagenten de tram in. Ze liepen op Marieke en Avi af, en vroegen de twee uit te stappen. De tram was inmiddels op een halte gestopt, en had de deuren al open gezet.

Buiten werden Marieke en Avi in de boeien geslagen. Na een paar minuten kwam er een politieauto aangereden, en ze werden achterin geduwd.

Ze reden naar bureau Warmoesstraat, en werden ieder in een aparte cel gezet. Marieke vroeg waarom ze vastgezet was, en ze vroeg om een advocaat, maar ze kreeg geen antwoord.

Na ongeveer drie uur, het kan ook langer of korter zijn geweest, ging de celdeur open. Marieke en Avi kregen hun eigendommen terug. De agent was niet erg spraakzaam.

‘Waarom zijn we gearresteerd?’ vroeg Marieke, ‘en waarom mogen we nu gaan?’

Het leek of de agent liever geen antwoord wilde geven. Maar na enige aarzeling zei hij: ‘Jullie zijn gearresteerd omdat de tramconducteur dacht dat jullie hadden geprobeerd te betalen met vals geld. Maar na enige rondvraag blijkt dat sinds een paar dagen het vijfguldenbiljet is vervangen. Jullie hebben betaald met zo’n nieuw biljet. Fijne dag nog verder.’

(Dit verhaal is waargebeurd.)

Kind in de oorlog

Een opsomming uit de notities van mijn vader (geboren in 1933). Hij woonde tijdens de oorlog in de Rijnsburgerweg in Leiden.

Wout Visbachs loopgraaf.

Scheltema’s schuilkelder.

Sirene.

Mevrouw Meiler *.

Sigarenhandelaar.

“De kogels floten om je oren.”

Distributie.

Inleveren koper.

De krant.

Matras voor keukenraam.

Hongertocht

Tulpenbollen uit Rijnsburg.

Lichtkogels.

Zingende soldaten.

NSB-vriendje. Eddy.

Dijkstra; ik. Pas op: hij is “verkeerd”.

Bennie: “Ik weet wel wat je gezegd hebt.”

Mijn heftige ontkennen.

Bezorgen illegale blaadjes.

Bevrijding. Canadezen.

Wonka. Tulpenbollen. “Pindakaas” van erwtenmeel.

Houthakken. Geslepen bijl.

Bij vader: het te slopen geitenstalletje. Bedreiging door houthakker.

Begraven schat. Eten v. kraaien, aardappelen in schil. Droge broodkorst. Gebrek inventiviteit.

Eén verwarmde kamer.

Schoeisel. “Kleppers”.

School. De villa. Louise de Coliguystraat. Het verhaal van de handgranaat.

De BS. Het lot der NSB-ers.

Goed of fout.

De Bevrijding. Nederland herrijst.

De “Vliegende Hollander”.

Het Zweedse Brood.

Meat and Vegetables. Crackers.

 

*) Mevrouw Meiler was een oude, Joodse vrouw in een rolstoel, die op het zolderkamertje woonde.

23 juli 1986

Volgens de aantekeningen van mijn vader zei ik die dag: “Weet je wat het handige is van kind-zijn? Een heleboel dingen kun je aan een kind toch niet uitleggen, en dan kan je [het kind] het ook niet gaan geloven.”

De magie van zweven

Ik rende door het hoge gras naar het modelvliegtuig. Gelukkig was het zacht neergekomen. Ik pakte het op en liep terug naar mijn vader.

‘Nu mag jij,’ zei hij en gaf me de afstandsbediening, terwijl hij het vliegtuig van me aannam.

‘Hoe moest het ook alweer?’ vroeg ik, terwijl ik vragend keek naar alle knopjes en pookjes.

Hij legde me uit waar ze allemaal voor dienden, en gooide het vliegtuig tegen de wind in.

Daar zweefde het, en zo rustig en beheerst mogelijk probeerde ik het te besturen.

‘Dat gaat goed!’ zei mijn vader, duidelijk tevreden over zijn snelle leerling.

Statig vloog het vliegtuig naar voren. Af en toe dreigde het te veel naar links of rechts af te buigen, maar een snel stootje tegen een van de pookjes zorgde ervoor dat het alsnog goed vloog. Langzaam maar zeker daalde het neer.

‘Pas op, een boom,’ zei hij. ‘Iets meer naar links. Laat nu maar landen.’

Hoewel ik veertig meter verderop stond, zorgde ik dat het vliegtuig langzaam landde. Ik gaf de afstandsbediening aan m’n vader en rende naar het vliegtuig, de zomerzon in mijn gezicht, waardoor ik mijn ogen samen moest knijpen. Nu mocht mijn vader weer.

Fictie: Brief aan een bedrijf

Geachte heer/mevrouw,

Dank voor uw schrijven van 20 januari 2012, waarin u aankondigt gas en licht af te zullen sluiten als ik niet snel uw rekeningen betaal. Ik schrijf u deze brief, omdat ik terdege besef dat gas en elektriciteit belangrijke zaken zijn, waar niet licht over gedacht moet worden.

Toegegeven, de mensheid heeft het millenia lang zonder gedaan. En ook tijdens de oorlogsjaren waren gas en elektriciteit schaars. Maar inmiddels zijn wij er zo aan gewend (en ook aan televisie via de kabel, maar daar handelt u niet in), dat we moeilijk zonder kunnen. Ook ik.

Uiteraard zou ik eventueel op mijn kampeerstelletje mijn avondmaaltijd kunnen bereiden. Maar er zijn drie redenen waarom deze oplossing niet optimaal is. Ten eerste stuit dit op bezwaren van de lokale brandweer. Ten tweede heb ik een baan, en weet ik de efficiëntie van gas uit een leiding te waarderen. En ten derde heb ik zojuist voor het luttele bedrag van tien euro een gasfornuis aangeschaft via Marktplaats.nl. Dit fornuis zou ik graag langer dan een week gebruiken.

Natuurlijk heb ik kaarsen. Daar zou ik eventueel mijn huis mee kunnen verlichten. Maar de stofzuiger bijvoorbeeld, die werkt niet op kaarsen, En om nou weer ouderwets te gaan bezemen, neen, dat zie ik niet zitten.

Vandaar deze brief. Het geld is namelijk op. Over een paar weken krijg ik weer mijn salaris gestort. Ik beloof u dat ik dat geld deze keer niet aan dure koffie, drank en muziekinstrumenten uit zal geven. Nee! Zodra het binnen is, maak ik het over via internetbankieren. Dat zweer ik, op het graf van Poekie.

Ik hoop dat u mij gelooft, en dat u nog enkele weken wacht met het dichtdraaien van gasleiding en elektriciteitskabel.

Ik wens u een plezierige dag, veel voorspoed en geluk in u leven, en alle gezondheid voor u en de uwen,

Met vriendelijke groet,

David

Onverstoorbaar

‘Jij was vastbesloten om je nergens door van je stuk te laten brengen. Daar waren veel mensen om je heen het wel over eens.’

Hij keek Vincent eens goed aan, terwijl hij dit zei.

‘Maar dat kan een mens niet eeuwig volhouden. Dat kon jij ook niet eeuwig volhouden. Eens moest er iets gebeuren waardoor je dat onverstoorbare niet langer kon volhouden. En dat is nu gebeurd.’

Ambulance snel ter plaatse

Weesperplein, een paar jaar geleden. Ik hoorde remmen piepen, keek om en zag hoe een taxi probeerde uit te wijken voor een oudere man die over de trambaan aan het zwalken was. Dat lukte niet, de man werd geraakt door de spiegel van de taxi en viel op de grond. De taxi reed door.

De man probeerde overeind te komen. Ik rende naar hem toe. Hij was duidelijk in de war, waarschijnlijk was hij dat al voordat hij over de trambaan begon te zwalken. Er zat bloed op zijn handen, maar zo te zien was hij niet heel erg gewond. Ik pakte hem onder zijn armen en we liepen naar een bankje naast de weg. Daar zette ik hem op neer.

Toen bedacht ik me dat de ambulancepost hier om de hoek was, op vijftig meter lopen. Ik zei tegen de man dat hij rustig moest blijven zitten en dat ik een ambulance zou gaan halen. Dat blijven zitten leek wel te gaan lukken.

Ik rende naar de ambulancepost en vertelde wat er gebeurd was. Maar in plaats van meteen mee te gaan, bleek dat er eerst een paar formulieren ingevuld moesten worden door de broeders. Op zich logisch, want er moet bekend zijn waar ze zich ophouden en of ze uitgerukt zijn. Maar een beetje frustrerend was het wel.

Ik rende weer terug, de man zat er nog en zag er iets beter uit. Een paar minuten later hoorde ik de ambulance met loeiende sirene vertrekken. Ze moesten nog een aardige omweg maken, maar weer een minuut later waren ze er. De ambulancebroeders ontfermden zich over de man. Ik liep verder.

De koe

(Ben de kamer aan het opruimen. Kwam m’n dagboek tegen van toen ik zeven was. Hieronder een verhaal uit dat dagboek).

Er was eens een arme boer. Die was erg boos op de burgemeester, want die had beloofd om armen te helpen. Maar dat deed ‘ie niet (tenminste, niet voor de boer!). Dus daarom was die zo kwaad, dat ie zijn enige huis ging slopen! De burgemeester had nog gezegd dat de boer té arm was, maar toen was ‘ie al de stad uit. De boer had ook een koe, die toveren kon. Maar dat wist de boer niet. Dus daarom bleef ‘ie zo arm.

Maar op een dag zei de boer voor de lol: ‘Hoe staat het met je maag?’

Toen zei de koe: ‘Boe, boe’, wat de boer had verwacht. Maar het ging nog verder: ‘Boe, het gaat niet zo goed. Zullen we hier even stoppen? Voor een hapje?’

‘Goed,’ was het antwoord. En de boer mompelde: ‘Dit is een, dit is een… Een droom!’

Toen zei de koe tegen de boer: ‘Dit is geen droom, dit is echt! Ik kan geld toveren en van álles!’

En toen was de boer weer rijk!

Een vader uit de oorlog

Mijn vader heeft de hongerwinter nog bewust meegemaakt. Er zijn er weinig van mijn generatie die dat kunnen zeggen. En ik denk dat dat, op een bepaalde manier, wel degelijk invloed heeft op mijn wereldbeeld.

Zo heeft mijn vader de grootste moeite met het weggooien van eten. Als we een pakje tegenkomen waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum inmiddels een half decennium achter ons ligt, twijfelt hij altijd of het weggegooid moet worden. ‘Dat is toch nog wel goed?’ vraagt hij dan.

Ik ken de verhalen over de ‘molsla’, de sla gemaakt van paardenbloemen. En het halfrotte vlees dat kinderen kregen van de Duitse soldaten. En hoe lekker dat was! En de bloembollen, die hij at maar waarvan hij verschrikkelijke diarree kreeg. En hoe zijn vader een zak aardappelen had weten te regelen, waar mijn vader ook van mocht eten. Mijn vader’s vader was namelijk gescheiden.

Mijn oma was hertrouwd met een kunstschilder. Ze kenden een oudere joodse vrouw, die de hele oorlog op hun zolder heeft doorgebracht. Mijn vader was zeven toen de oorlog begon, twaalf toen die eindigde. Het vriendje van mijn vader was het zoontje van de buren, die NSB’ers waren. Je begrijpt dat mijn vader niets over de joodse vrouw op zolder mocht zeggen tegen het vriendje. Volgens mijn vader vermoedden het vriendje en zijn ouders wel het een en ander. Maar ze vonden het onnodig om dit aan de Duitsers te verklappen. Waarvan ik weer geleerd heb dat de ene NSB’er de andere niet is.

Volgens mij heb ik, doordat mijn vader de oorlog heeft meegemaakt, ook een groter wantrouwen tegen De Staat. Cameratoezicht, preventief fouilleren, registratie van afkomst: voor mij zal er altijd een verdacht luchtje aan zitten. Prima, zolang de regering zich gedraagt. Maar ik ga er niet vanuit dat dat altijd zo zal blijven. ‘Als je niets hebt misdaan, heb je ook niets te vrezen,’ zo proberen de voorstanders ons gerust te stellen. Maar ik vraag het me eerlijk gezegd af. Eenmaal in de verkeerde database, met of zonder reden, en je komt er niet meer zo snel uit.

Tot slot de saamhorigheid. Probeerden de Duitsers in het begin van de oorlog nog de ‘hearts and minds’ van de Nederlanders te veroveren, gaandeweg deden ze steeds minder moeite. En de afschuw over de bezetting nam toe. Mijn vader en zijn vriendjes zongen stieken anti-Duitse liedjes en vertelden anti-Duitse moppen. Hoewel naar huidige maatstaven nauwelijks grappig. rolden ze over de grond van het lachen.

Na de oorlog verdween die saamhorigheid al snel: binnen een paar jaar was het weer alsof er nooit een bezetting geweest was. Er was geen vijand meer. En het vermoeden bestaat dat veel mensen, waaronder mijn oma, heel erg terugverlangden naar die spannende tijd. Een dergelijke broederlijkheid vind je tegenwoordig nog slechts op de Nederlandse plassen als het gevroren heeft en de hele natie over het ijs aan het zwieren is.

Dat heb ik me tenminste laten vertellen.