‘Het verhaal’

Was een paar weken geleden in De Nieuwe Anita, een grote kroeg in Amsterdam die helemaal de nieuwe hip is (hoewel ze dat zelf ten stelligste ontkennen). Het was een woensdagavond, normaal gesproken niet de meest drukke kroegenavond. En dat bleek het ook niet te zijn.

De avond heette ‘het verhaal’. Het concept is eenvoudig: ze nodigen iemand uit waarvan ze vermoeden dat ‘ie mooie verhalen kan vertellen, en die laten ze dan vertellen.

Dit keer hadden ze de virtuoze matroos Cees Koldijk uitgenodigd, die vertelde over zijn verleden als uitsmijter op de Wallen en over zijn meest recente project, een cd met muziek over De Baarsjes. Hij kon inderdaad heel grappig vertellen over alle avonturen en we lagen geregeld dubbel.

We hebben ons kostelijk vermaakt, het enige waar ik me zorgen over maak is het bedrijfsplan. Want terwijl iemand aan het vertellen is, mag je niet bestellen. En aangezien er maar een paar pauzes waren, kan ik me zo voorstellen dat de omzet op zo’n avond niet overhoudt (15 mensen, 2 à 3 biertjes, 40 biertjes). Maar dat is, geloof ik, sowieso minder belangrijk voor De Nieuwe Anita.

Toen de yoghurt viel

De meneer had te veel boodschappen op de band gezet. Een pak yoghurt viel op de grond en explodeerde. Een mevrouw die iets verderop stond, kreeg allemaal klodders over haar schoenen en haar jas.

Iedereen keek.

Naar het pak yoghurt. Naar de witte klodders op de mevrouw. Naar de meneer, die nog niet helemaal doorhad dat zijn yoghurt op de mevrouw geklodderd zat.

De mevrouw keek omlaag. Ze zag de klodders. Nu zag de meneer ze ook.

Nog voordat hij iets kon zeggen, riep de vrouw: ‘Helemaal niet erg hoor! Dit zijn toch m’n vieze sneeuwlaarzen! En dit is toch een vieze jas! Helemaal niet erg!’

Dat kwam goed uit. Maar niemand geloofde echt dat het helemaal niet erg was.

Een melancholisch gevoel

Ik ben op zoek naar een gevoel. Een melancholisch gevoel, zo’n zondagavondgevoel van lang vervlogen tijden. Weet u misschien waar ik dat kan vinden? Ik zou er graag een liedje over willen schrijven. En soms heb ik het even, maar dan heb ik net geen gitaar bij me. Of ik heb geen tijd om een liedje te schrijven. Of geen zin.

Het schrijven van liedjes is nog niet zo makkelijk. Het voelen van gevoelens is nog niet zo makkelijk. Het is makkelijker om gewoon door te leven en niet zo veel te voelen. Hoe minder je voelt, hoe makkelijker het is.

Slapen in de Ikea

Ik hoorde laatst een mooi verhaal, dat ik jullie niet wil onthouden.

Vriendin van vriendin en een vriend van haar besloten, op een mooie zaterdagnamiddag, om die avond bij Ikea te gaan logeren. Ze togen naar de oversized container in Amsterdam Zuid-Oost en mengden zich tussen het winkelend publiek.

Toen het tegen sluitingstijd wat rustiger werd, verstopten ze zich in een kast. Eerst kwamen de medewerkers om iedereen richting uitgang te dirigeren. Daarna kwamen de schoonmakers. Ze hoorden het vanuit hun verstopplekje.

Toen het eindelijk écht stil was, kwamen ze uit hun schuilplaats gekropen. Van de kastensectie liepen ze naar de slaapsectie en kozen het lekkerste bedje uit.

Echt diep slapen lukte niet, maar het was wel reuze gezellig. Midden in de nacht hoorden ze ineens de bewaker, die bezig was met zijn ronde. Hadden ze moeten blijven liggen? Waarschijnlijk wel. Maar dat deden ze niet: in de paniek rende één naar een kast, en kroop de ander onder de dekens.

De bewaker hoorde het geroezemoes en ging erop af. Ze waren er gloeiend bij. Ze legden uit hoe ze het klaar hadden gespeeld, en de bewaker lachte zich een kriek. Maar hij moest beroepshalve wel de politie inlichten, die ze op kwam halen.

Het was maar goed dat ze geen van beiden advocaat of straaljagerpiloot wilden worden, want dit logeerpartijtje heeft ze wel een strafblad opgeleverd.

Snelle brommer

De brommer komt naast mijn motor staan voor het stoplicht. Twee ogen kijken me aan vanuit een integraalhelm. Hij is ongeveer zeventien en trekt zijn gas uitdagend open, ‘wheng wheng!’.

Ik accepteer de uitdaging en als het stoplicht op groen springt, spuiten we weg. Mijn 750cc wint van zijn 70cc en binnen drie seconden zit ik op zestig. Dat blijf ik rijden (we zijn immers binnen de bebouwde kom en als motor moet je tien kilometer harder dan toegestaan, dat is me geleerd. Vanwege de doorstroming van het verkeer of zoiets. Moet trouwens ook van het CBR bij het afrijden, dus ik vertel niets nieuws.)

Maar dan zie ik ‘m in mijn spiegel dichterbij kruipen, en nog iets later raast hij mij voorbij met een kilometer of tachtig.

Natuurlijk staan we iets verderop weer samen voor het stoplicht.

‘Die gaat best snel,’ zeg ik.

Hij knikt trots.

Geen feest voor Edgar

‘NEE,’ ZEI MICHIEL. ‘IK DOE HET NIET’.

‘We worden beroemd,’ zei ik. ‘En er kan niets gebeuren. Dit is zó YouTube-worthy, écht!’

Hij keek naar de trap. Hij keek naar mij. Hij keek weer naar de trap.

‘Fok jou!’ zei hij, ‘ik film wel. Doe jij het lekker zelf. Word jij toch lekker beroemd’.

‘Maar ik kan beter filmen dan jij,’ probeerde ik nog.

‘Ik ga het niet doen,’ zei hij beslist, ‘dus of jij doet het, of we doen het niet’.

Dat vond ik zonde. We hadden niet voor niks die enorme houten klomp mee lopen zeulen van de Dam naar hier. We hadden geluk dat we de fotocamera bij ons hadden. Zo’n kans kregen we nooit meer.

‘Oké, ik doe het,’ zei ik, en ik gaf de camera aan Michiel, ‘er kan niks gebeuren’.

Ik ging in de klomp zitten.

‘Waar moet ik gaan staan?’ vroeg hij.

‘Als je beneden staat, ziet het er heftiger uit’.

Michiel huppelde de veertig treden af. Het viel me op dat hij zo vrolijk aan het huppelen was. Terwijl zijn grote vriend op het punt stond om zich in een enorme klomp naar beneden te storten. En daarbij mogelijkerwijs het leven te laten. Michiel is een slechte vriend, concludeerde ik.

‘Ja,’ riep Michiel, ‘ik ben er klaar voor’.

Hij zag mijn aarzeling.

‘Er kan niets gebeuren!’ schreeuwde hij. ‘Dat zei je net zelf’.

Ja, dacht ik, dat zei ik net zelf. Maar dat was toen jij zou gaan. Dat was de afspraak toen we de klomp meenamen. Dat jij zou gaan. En nu ben jij aan het hazen, jij vieze vuile rat.

‘Je wordt beroemd!’ riep Michiel. ‘Hup, afzetten en gaan. Niet nadenken!’

Niet nadenken. Goed advies. Niet nadenken, gewoon gaan. Gewoon eventjes naar beneden glijden en beroemd worden. Ik word fokking famous.

Ik stapte uit de klomp, en schoof deze naar de rand. Ging er weer in zitten. Pakte de reling. Trok. Begon te schuiven. Schoof hard en scheef. Verder weet ik het even niet meer.

—————————————

Ik opende m’n ogen, maar zag niets. Wazig licht. Ik rook groene zeep en bejaarden: ziekenhuis. Langzaam schoven de lijnen in elkaar, en uit elkaar, en in elkaar. Maar voordat ik hem kon zien, hoorde ik Vincent praten.

‘Edgar!’

‘Hmrmbl,’ zei ik.

‘Edgar! Ben je wakker?’

‘Hmrmbl’, herhaalde ik.

‘Hé Edgar, wat denk je’ Fokking vijfduizend views op YouTube!’

Vette shit, dacht ik. Vijfduizend views. Ik ben famous.

Ik ben fokking famous.

 

Bij de bakker

‘EVEN KLOPPEN. BEN ER WEL’, stond er op het bordje op de deur.

Hm.

Ik zag de bakkersvrouw achter de toonbank staan. De deur was inderdaad op slot. Ik klopte, en de bakkersvrouw deed open. Ze keek me eventjes argwanend aan, toen werd ze vriendelijk.

‘Een speltbrood, alstublieft,’ zei ik.

Ze pakte het speltbrood in, we rekenden af en ze liep weer naar de deur, met de sleutel.

‘Dag!’ zei ik.

‘Dag!’ antwoordde ze.

‘Ja, je moet weten,’ vervolgde ze, ‘vorige week ben ik overvallen en de schrik zit er nog behoorlijk in’.

‘Och jeetje,’ zei ik, niet precies wetend wat te zeggen in een dergelijke situatie.

Ik liep naar buiten en de deur ging op slot…

Te veel betaald

‘Eén speltbrood alstublieft.’

De bakkersvrouw keek me vorsend aan.

‘Had jij niet vorige keer te veel betaald voor een speltbrood?’ vroeg ze.

Niet dat ik wist. Anders had ik er de vorige keer wel wat van gezegd.

De bakkersvrouw schudde haar hoofd, ‘laat maar’.

Maar het liet haar niet los.

‘Eergisteren?’ vroeg ze.

‘Dat klopt,’ zei ik, ‘eergisteren heb ik hier een speltbrood gekocht’.

‘Ja!’ riep ze verrukt, ‘dan was jij het tóch!’

Ze deed het brood in een plastic zakje.

‘Dat wordt dan één vijfenzestig min zeventig cent is vijfennegentig cent’.

In deze barre tijden, van kredietcrisis en zo, tóch een mooie meevaller.

 

Belastingen

De drommen kantoorklerken waren neergestreken in dit café. Om tien voor vijf hadden ze geroepen: ‘vrijmibo haha, de vrijdagmiddagborrel yeah!’

En nu stonden ze hier, met overhempje, lamswollen truitje. Ze verdienden meer dan goed voor ze was, hier kochten ze bier om de intrinsieke onrust weg te spoelen. De onrust die ooit nog wel toe zou slaan. De midlifecrisis stond bij ze voor de deur.

Maar nu wilden ze daar nog niet van weten. Er kwam er eentje op me af. O jee.

Ja, ik werk daar ook, bij zo’n multinational. Hij dacht dus een bondgenoot in mij te hebben gevonden, en begon een zeurverhaal over hoe vreselijk belastingen zijn. En hoe we veel te veel betalen. En wat een schurk de minister van financiën is, dat ‘ie ons dat allemaal aandoet. Als het een beetje een fatsoenlijke vent zou zijn, zou hij het belastingtarief halveren, verdomme.

Nu ben ik een vreemde, wat dat betreft. Ik vind belastingen niet verschrikkelijk. Ik ben een warm voorstander van het Nederlandse model. Ja, we betalen aardig wat belasting, maar daar krijgt dan ook iedereen gezondheidszorg van. En we plukken mensen van straat die het minder goed getroffen hebben.

Dus zijn betoog viel niet in goede aarde, en na een discussie van een minuut of tien droop hij af. En ik haalde nog wat bier.

Om de naderende midlifecrisis te bezweren, te ontkennen en weg te spoelen.

 

Een nieuwe fiets

‘Honderd euro,’ zei de fietsenmaker.

Dat leek mij een schappelijke prijs.

Omdat ik wist wat de gemiddelde fietsenprijs was in Amsterdam (ridicuul hoog), en ik wist hoe lang mijn huidige fiets nog mee zou gaan (ongeveer twintig meter), was ik maar al te blij met deze deal.

Dat straalde ik uit. Want de fietsenmaker had eigenlijk meteen spijt en begon me andere – duurdere – fietsen aan te smeren. En bellen. En banden.

Maar die had ik niet nodig. Dus ik betaalde en fietste weg met mijn nieuwe fiets. Met drie (drie!) versnellingen en werkende verlichting.

Wauw.