Mijn kabelbedrijf

Ik heb zo’n fijn kabelbedrijf.

Ik wilde wat langerzamer internet. En mijn abonnement was verlopen, dus stuurde ik een e-mail om mijn abonnement om te laten zetten. En dat ik wel van die korting voor nieuwe abonnees gebruik wilde maken.

Dat kon natuurlijk niet. Want die korting, tja, die was alleen voor nieuwe abonnees. Maar ze konden me wel een aantrekkelijke aanbieding doen. Een honderd-in-alles-pakket, met 300 zenders en meer van dat onmisbaars.

Maar ik hoefde geen 300 zenders, want ik ken mezelf een beetje. Ik zou de rest van mijn ellendige dagen slijten achter dat feest der fotonen.

Maar ze konden me een korting geven van maar liefst vijf euro! En gegarandeerd snel internet, niet dat langzame gedoe van die prutsers bij adsl. Daar zou ik even over nadenken, en ik hing op. En ik dacht na. En ik zette wat bedragen naast elkaar in een spreadsheet. En de conclusie was: te duur.

Dus ik belde weer op. Dat ik toch echt op wilde zeggen. Ik kreeg een aardige jongen aan de lijn. Die me vroeg wat de doorslaggevende factor was.

‘De prijs,’ zei ik.

‘O,’ zei hij. ‘Nou… Sinds deze week mag ik u een unieke aanbieding doen.’ Dat bleek een waanzinnige korting van maar liefst 15 euro.

Goh, wonderlijk. Want die andere medewerker, die van de vijf euro korting, had ik nog geen uur eerder aan de lijn gehad. Het is wel erg met die inflatie in Europa.

Om een lang verhaal kort te maken: ik ben dus nog steeds bij m’n kabelbedrijf. Maar betaal ineens een stuk minder. Zonder er ook maar iets voor te hoeven doen, behalve bijna op te zeggen. Met dank aan de ‘waanzinnige korting sinds deze week’, die er eerst niet was, en toen weer wel. Want het kabelbedrijf denk ook: wél geld is beter dan níet geld.

Geen zin meer vandaag

‘Pfff, ik heb echt geen zin meer vandaag.’

Ik kon me er iets bij voorstellen. Hij werkt bij de catering bij mij op kantoor. Dat betekent broodjes verkopen, koffie-automaten bijvullen en vergaderzalen uitruimen.

‘Hoe lang moet je nog?’ vroeg ik, in de hoop dat het antwoord mee zou vallen en ik hem gerust kon stellen.

‘Nog tot negen uur. Ik moet biertjes tappen bij een borrel.’

Het was nu vier uur. Ik kon hem helaas niet het goede nieuws meedelen, dat hij zelf ook wel had geweten. Ik kon hem slechts sterkte wensen voor de komende vijf uur.

Fictie: Brief aan een bedrijf

Geachte heer/mevrouw,

Dank voor uw schrijven van 20 januari 2012, waarin u aankondigt gas en licht af te zullen sluiten als ik niet snel uw rekeningen betaal. Ik schrijf u deze brief, omdat ik terdege besef dat gas en elektriciteit belangrijke zaken zijn, waar niet licht over gedacht moet worden.

Toegegeven, de mensheid heeft het millenia lang zonder gedaan. En ook tijdens de oorlogsjaren waren gas en elektriciteit schaars. Maar inmiddels zijn wij er zo aan gewend (en ook aan televisie via de kabel, maar daar handelt u niet in), dat we moeilijk zonder kunnen. Ook ik.

Uiteraard zou ik eventueel op mijn kampeerstelletje mijn avondmaaltijd kunnen bereiden. Maar er zijn drie redenen waarom deze oplossing niet optimaal is. Ten eerste stuit dit op bezwaren van de lokale brandweer. Ten tweede heb ik een baan, en weet ik de efficiëntie van gas uit een leiding te waarderen. En ten derde heb ik zojuist voor het luttele bedrag van tien euro een gasfornuis aangeschaft via Marktplaats.nl. Dit fornuis zou ik graag langer dan een week gebruiken.

Natuurlijk heb ik kaarsen. Daar zou ik eventueel mijn huis mee kunnen verlichten. Maar de stofzuiger bijvoorbeeld, die werkt niet op kaarsen, En om nou weer ouderwets te gaan bezemen, neen, dat zie ik niet zitten.

Vandaar deze brief. Het geld is namelijk op. Over een paar weken krijg ik weer mijn salaris gestort. Ik beloof u dat ik dat geld deze keer niet aan dure koffie, drank en muziekinstrumenten uit zal geven. Nee! Zodra het binnen is, maak ik het over via internetbankieren. Dat zweer ik, op het graf van Poekie.

Ik hoop dat u mij gelooft, en dat u nog enkele weken wacht met het dichtdraaien van gasleiding en elektriciteitskabel.

Ik wens u een plezierige dag, veel voorspoed en geluk in u leven, en alle gezondheid voor u en de uwen,

Met vriendelijke groet,

David

Clichés

‘Hoe gaat het?’ vroeg de trainer, die deed of hij een klant was.

‘Ja goed. Druk hè, als altijd. En met jou, ook druk?’

Ik hoorde het mezelf zeggen en dacht bah, dat ik dat zeg. Dat dacht de trainer ook. Hij legde het gesprek stil, keek triomfantelijk naar mijn collega’s en zei: ‘Wat vinden we hiervan?’

‘Saaie opening,’ zei een collega.

‘Het klinkt alsof hij het eigenlijk te druk heeft om met de klant te praten,’ zei een andere collega.

Ja ja ja, nu weten we het wel weer. Het was een stomme opening, ingegeven door opstartzenuwen.

En dit is het einde van dit blogje. Ik moet ervandoor. Ik heb het een beetje druk.

Snelle brommer

De brommer komt naast mijn motor staan voor het stoplicht. Twee ogen kijken me aan vanuit een integraalhelm. Hij is ongeveer zeventien en trekt zijn gas uitdagend open, ‘wheng wheng!’.

Ik accepteer de uitdaging en als het stoplicht op groen springt, spuiten we weg. Mijn 750cc wint van zijn 70cc en binnen drie seconden zit ik op zestig. Dat blijf ik rijden (we zijn immers binnen de bebouwde kom en als motor moet je tien kilometer harder dan toegestaan, dat is me geleerd. Vanwege de doorstroming van het verkeer of zoiets. Moet trouwens ook van het CBR bij het afrijden, dus ik vertel niets nieuws.)

Maar dan zie ik ‘m in mijn spiegel dichterbij kruipen, en nog iets later raast hij mij voorbij met een kilometer of tachtig.

Natuurlijk staan we iets verderop weer samen voor het stoplicht.

‘Die gaat best snel,’ zeg ik.

Hij knikt trots.

Te veel betaald

‘Eén speltbrood alstublieft.’

De bakkersvrouw keek me vorsend aan.

‘Had jij niet vorige keer te veel betaald voor een speltbrood?’ vroeg ze.

Niet dat ik wist. Anders had ik er de vorige keer wel wat van gezegd.

De bakkersvrouw schudde haar hoofd, ‘laat maar’.

Maar het liet haar niet los.

‘Eergisteren?’ vroeg ze.

‘Dat klopt,’ zei ik, ‘eergisteren heb ik hier een speltbrood gekocht’.

‘Ja!’ riep ze verrukt, ‘dan was jij het tóch!’

Ze deed het brood in een plastic zakje.

‘Dat wordt dan één vijfenzestig min zeventig cent is vijfennegentig cent’.

In deze barre tijden, van kredietcrisis en zo, tóch een mooie meevaller.

 

In een drukke trein

Het was druk in de trein.

We stonden met z’n twaalven in het gangetje. Twee meisjes keken af en toe verlegen mijn richting op, en ik keek brutaal terug. Naast mij stonden een jongen en een meisje, die misschien iets met elkaar hadden. Een bozige man stond rechts van mij. En naast de jongen het het meisje die ik zojuist beschreef, stond een jongen met het syndroom van Down. En daarnaast stond zijn moeder.

Eerst had ik niet door dat de jongen het syndroom van Down had. Ik hoorde hem voortdurend dingen murmelen en pas na een poosje dacht ik: ‘Volgens mij heeft die jongen het syndroom van Down’.

De jongen vond het spannend in de volle trein, dat kon ik horen aan zijn stem. Zijn moeder probeerde hem te kalmeren, maar zijn gemurmel werd er niet minder door. Hij benoemde alles wat hij zag, en wat hij wou.

‘Auto, auto, trein, stoppen, trein, stoppen, auto, hmrbn, trein, stoppen, hee’.

Maar we gingen nog niet stoppen. We raasden door de polder, op weg naar Schiphol.

Plotseling schudde de trein, en de jongen (die van het meisje) verloor zijn evenwicht en viel tegen de jongen (die met Down) aan. Die was daar niet van gediend en begon luid en verontwaardigd te mopperen.

‘Rustig maar,’ zei de jongen die zijn evenwicht was verloren.

Het meisje naast hem moest lachen. De meisjes die af en toe verlegen naar me keken, moesten ook lachen. De bozige man moest ook lachen. Ik moest ook een beetje lachen, vanwege de toon van de jongen die zijn evenwicht was verloren.

De jongen met het syndroom van Down deed wat hem werd gezegd.

‘Stoppen, stoppen!’ zei hij. We waren inmiddels in de tunnel naar Schiphol aanbeland. En alsof de machinist de jongen had gehoord, begon hij te remmen. Midden in de tunnel kwamen we tot stilstand.

Dit was ook niet geheel naar wens.

‘Uitstappen!’ zei de jongen.

‘Rustig maar,’ zei de moeder, ‘we moeten even wachten en dan mogen we zo uitstappen.’

‘Uitstappen!’ zei de jongen nogmaals.

De trein begon weer te rijden, en eventjes later waren we bij het perron. Zichtbaar opgelucht stapte de jongen uit, pakte de hand van zijn moeder en had duidelijk schik in de roltrap.

 

Boodschap

‘Gisteren zei iemand, dat we allemaal – onbewust – een boodschap van onze ouders hebben meegekregen,’ zei ze. ‘Toen ging ik nadenken welke boodschap ik heb meegekregen. Mijn moeder wilde altijd dat ik gezellig meedeed. Ach, neem nog een stukje taart. Ach, neem toch een glaasje wijn. Altijd maar dat gezellig meedoen. Dat heb ik meegekregen’.

‘Hm,’ zei ik. Niet uit desinteresse, maar omdat ik nou eenmaal vaak ‘hm’ zeg als ik iets op me moet laten inwerken.

‘En wat heb jij van je ouders meegekregen?’ vroeg ze.

Daar moest ik eventjes over nadenken. ‘Van m’n vader,’ zei ik, want m’n ouders zijn al mijn hele leven gescheiden en dan krijg je niet bij allebei dezelfde boodschap mee, ‘van m’n vader heb ik meegekregen dat het jammer is als je te veel in je hoofd leeft, en niet in de werkelijkheid.

En van m’n moeder heb ik meegekregen dat ik zoveel mogelijk ervaringen moet opdoen door te reizen en te werken. En van allebei heb ik meegekregen dat het goed is om na te denken over dingen. Over de wereld waarin we leven, over goed en kwaad, over religie, over alles eigenlijk.’

‘En heb je ook negatieve boodschappen meegekregen van je ouders?’ vroeg ze.

En hoewel dat vast het geval zal zijn, kon ik zo snel niets bedenken.

 

Een nieuwe fiets

‘Honderd euro,’ zei de fietsenmaker.

Dat leek mij een schappelijke prijs.

Omdat ik wist wat de gemiddelde fietsenprijs was in Amsterdam (ridicuul hoog), en ik wist hoe lang mijn huidige fiets nog mee zou gaan (ongeveer twintig meter), was ik maar al te blij met deze deal.

Dat straalde ik uit. Want de fietsenmaker had eigenlijk meteen spijt en begon me andere – duurdere – fietsen aan te smeren. En bellen. En banden.

Maar die had ik niet nodig. Dus ik betaalde en fietste weg met mijn nieuwe fiets. Met drie (drie!) versnellingen en werkende verlichting.

Wauw.

 

Self-service

De jongen stond voor me in de rij te wachten. Maar er was niemand om zijn snoepgoed mee af te rekenen. Iets verderop was een meisje het koffiezetapparaat aan het schoonmaken.

‘Is het soms self-service vandaag?’ vroeg hij mij.

Het meisje hoorde het en zei half geïrriteerd, half verontschuldigend: ‘Er is vandaag maar eentje die kassa mag draaien!’

‘O,’ zei de jongen. ‘En die is zeker vrij vandaag?’