in de wereld, korte verhalen, somber

2.589.476.977

Het oude mannetje zat knikkebollend op de stoep voor zijn huis. Het was een warme, zonnige dag, iets verderop waren kinderen aan het voetballen. Een moeder kwam naar buiten, met koude limonade. Er lag een glinsterende spiegel over het asfalt, vanaf waar de oude man zat, leek het of de kinderen in gesmolten zilver aan het spelen waren.

Op dat moment hield zijn hart op te kloppen. Zeventig jaar lang had het gewerkt, dag en nacht, zeventig keer per minuut, 4200 keer per uur, 37 miljoen keer per jaar. En die zondagmiddag was het genoeg geweest. De man zakte voorover en viel hard met zijn hoofd op straat.

Er was niemand die het zag. De man bleef zo liggen, de kinderen waren stil hun limonade aan het drinken. Ze zagen wel iemand liggen in de verte, maar stonden er niet bij stil dat daar zojuist een veelbewogen leven ten einde was gekomen.

55 jaar geleden was hij bij de marine gegaan, voor het avontuur en omdat zijn ouders vonden dat hij wel wat discipline kon gebruiken. De hele wereld had hij afgereisd, en in havens op alle continenten had hij gedronken, gefeest, gezongen. Hij had klappen uitgedeeld en klappen geïncasseerd. Hij had reprimandes gegeven aan ondergeschikten als ze te laat op het appèl kwamen, hij had reprimandes gekregen als hij weer eens midden in de nacht dronken brallend over het dek zwalkte.

Het was een mooie, onbezorgde tijd geweest. Erg rustig: de Koude Oorlog woedde, maar daardoor hoefde er nauwelijks echt gewerkt te worden. Ze legden de schepen op tactische plekken, ze voeren naar betwiste zeestraten, af en toe enterden ze een piratenschip voor de Filipijnse kust.

Na vijftien jaar bij de marine had hij het wel gezien. Hij ging bij zijn vrouw wonen waar hij op z’n twintigste mee getrouwd was. Ze hadden intens van elkaar gehouden tijdens zijn marine-tijd, tien jaar lang, maar samen in een huis bleek niet te werken en het huwelijk werd een jaar later ontbonden.

Hij begon een winkel in tuinmeubelen, investeerde alles in de zaak: zijn tijd, zijn geld, zijn passie. Na een paar jaar kon hij uitbreiden, en al snel had hij vijf winkels in verschillende steden. Het voelde als een imperium, en een imperium moet je delen met een koningin. Die had hij snel gevonden, Elisa, ze waren getrouwd, ze zaten totaal niet op dezelfde golflengte maar ze tolereerden elkaar.

Vijf jaar geleden was ze overleden na een langdurig ziekbed. Hij heeft haar niet gemist. Wel miste hij na haar dood de motivatie om nog leiding te geven aan Jan Klop Tuinmeubels. Hij had de zaak overgedragen aan zijn stiefzoon, de zoon van Elisa, een capabele jongen die marketing had gestudeerd in Groningen en ‘niets liever deed dan de tuinmeubelzaak van Jan voortzetten en liefst ook nog uitbreiden’. Prima jongen dus.

De laatste vijf jaar van zijn leven had hij zitten peinzen. Wat had hij nou werkelijk gedaan in zijn leven? Liet hij de wereld een beetje beter achter dan hij deze had aangetroffen? Was hij gelukkig geweest?

Dergelijke vragen hadden aan hem zitten knagen. Meer dan hem lief was. Hij probeerde er niet te veel aan te denken, en te genieten van zijn welverdiende rust. Maar dat ongemakkelijke gevoel ging niet weg. Had hij wel de juiste keuzes gemaakt? Waren zijn vrienden wel echte vrienden geweest? Of waren het eigenlijk meer kennissen? Waarom had hij nooit even stilgestaan, om even rustig naar zijn leven te kijken? Waarom had hij altijd maar doorgejaagd?

Hij vond het zeer onprettig om over dergelijke dingen na te moeten denken. Maar die zondagmidddag had hij daar niet over zitten piekeren. Vlak voordat hij op straat viel, was hij nog een keer naar dat café in Surabaya gegaan, als jonge knul van achttien, waar de meisjes hem en zijn vrienden probeerden hem bier te verkopen, en af en toe, als ze in een ondeugende bui waren, bij hem op schoot kwamen zitten.

Er was daar één meisje, Neneng, daar was hij verliefd op geweest. Neneng, verfijnd, met spottende en toch lieven oogopslag, een mysterie. Daar had hij dagen mee doorgebracht, ze hadden door de stad gewandeld en waren naar de film gegaan. De doorgaans nogal doortastende Jan was gesmolten voor dat meisje, en liep als een verliefde puber naast haar, af en toe stiekem een verliefde blik op haar werpend. Voelde zij nou ook werkelijk iets voor hem of was het allemaal geveinsd? Deze Javaanse was ondoorgrondelijk.

Hij had haar wel willen trouwen, en haar meenemen naar Nederland. Maar als hij iets dergelijks opperde, lachte ze haar sprankelende lach en maakte een gebaar wat niets anders kon betekenen dan ‘wat ben je toch een grapjas’. Dus hij had haar daar achtergelaten. Wat zou er van haar geworden zijn, dacht hij half-dromend, in de zon voor zijn huis.

De bal rolde door de straat en twee kinderen renden erachteraan, elkaar aan de shirtjes trekkend.

“Ik heb hem lekker toch eerder!”

“Nietes!”

“Toch wel.”

Toen was het even stil.

“Hee, die opa ligt op straat. Zou ‘ie ziek zijn?”

“Mamma, kom es!”

Mamma kwam en belde de ambulance, die acht minuten en zes seconden later ter plaatse was. Maar het ambulancepersoneel kon niets meer doen. Het hart van Jan had 2.589.476.977 keer geklopt.

Het was nu wel genoeg geweest.

Geef een reactie

Reactie